Vormen van mediaconcentratie

Mediaconcentratie kan plaatsvinden op diverse manieren. Indien een ondernemer meerdere media binnen één en dezelfde sector exploiteert bijvoorbeeld, meerdere kranten uitgeeft, dan wordt gesproken over horizontale concentratie. Indien binnen één en dezelfde onderneming de onderscheiden stadia van het productieproces doorlopen worden dan spreekt men van verticale concentratie. De term cross-ownership of diagonale concentratie wordt gehanteerd om aan te geven dat een onderneming op enigerlei wijze actief is in mediasectoren van verschillend type (pers, radio, televisie).

Het is gebruikelijk in de communicatiesector binnen de mediawaardeketen drie schakels te onderscheiden: de schakel van content creatie, van content productie en van content distributie (zie onderstaande figuur). Horizontale concentratie speelt zich per definitie af binnen één schakel, verticale concentratie is concentratie van twee of van drie schakels in de mediawaardeketen. In de Mediamonitor wordt aan elk van schakels binnen de mediawaardeketen aandacht besteed.

Figuur 1

Waardeketen

Probleemstelling

Tegen de achtergrond van het voorgaande kan de probleemstelling die het Commissariaat met de Mediaconcentratiemonitor tracht te beantwoorden, als volgt worden geformuleerd:

  • In welke mate is in het Nederlandse mediabestel sprake van mediaconcentratie?
  • Welke ontwikkelingen doen zich daarin voor?
  • Wat zijn de gevolgen daarvan voor de onafhankelijkheid en pluriformiteit van de Nederlandse media en voor de toegankelijkheid van die media voor het publiek?
     

Opzet van de analyse

De analyse voor de concentratiemonitor is verricht in onderscheiden sectoren. Het Commissariaat gaat er daarbij vanuit dat pers (dagbladen, tijdschriften), radio en televisie op verschillende productmarkten opereren. Het geheel van de media in Nederland vormt weliswaar een pluriform aanbod, maar voor een pluriforme informatiesector is het echter van belang dat elke deelsector (pers, radio, televisie) pluriform is en het publiek hoge kwaliteit biedt. Alleen dan zullen de diverse media als concurrenten van elkaar binnen de tijdsbesteding van consumenten zich onderling met kwaliteit kunnen meten en daarmee schragend zijn voor de democratie.

Om concentratie in de mediasector en de gevolgen daarvan in beeld te brengen wordt van de verschillende mediamarkten een analyse gemaakt van aanbiedersconcentratie, redactionele of programmatische concentratie, pluriformiteit en publieksconcentratie.

Figuur 2

Aanbod-Vraag

Aanbiedersconcentratie

Bij aanbiedersconcentratie wordt onderzocht, welke aanbieders van bijvoorbeeld dagbladen of zenders er zijn en wat de structuur van eigendom en zeggenschap is op de desbetreffende markt. Horizontale aanbiedersconcentratie (binnen dezelfde mediamarkt) wordt uitgedrukt in de Herfindahl Hirschman Index (HHI). Deze index maakt het mogelijk om op basis van het aantal aanbieders en hun marktaandelen de concentratie op een markt te berekenen.

Daarnaast wordt er gewerkt met de C1, C2 en C3, waarbij C1 staat voor het marktaandeel van de grootste aanbieder op een specifieke markt. De C2 staat voor het aandeel van de twee grootste aanbieders en de C3 voor het aandeel van de drie grootste aanbieders op dezelfde markt.

Redactionele of programmatische concentratie

Redactionele of programmatische concentratie laat zien de mate waarin redacties niet zelfstandig kunnen beslissen over de redactionele inhoud van een titel of zender. Binnen deze analyse wordt aandacht geschonken aan redactionele of programmatische zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Gemeten wordt het aantal redactioneel zelfstandige titels of netten. Vaak wordt als tegenhanger van deze concentratie het woord ‘pluraliteit’ gebruikt; soms ook wel ‘externe pluriformiteit’.

Content

Mediapluriformiteit betekent dat de redactionele / programmatische content van de media heterogeen is. De vaststelling van mediapluriformiteit vereist een sociaal-wetenschappelijke inhoudsanalyse van de redactionele / programmatische inhoud van de media. Met name de indeling van televisieprogramma’s naar programmasoorten, waarover wij in Nederland beschikken, biedt de mogelijkheid om uitspraken over de interne pluriformiteit van het televisie-aanbod te doen. Die indeling maakt het ook mogelijk om te bepalen, in hoeverre het programma-aanbod zich qua pluriformiteit als afspiegeling en openheid manifesteert. Dit onderdeel van de mediawaardeketen is niet opgenomen in de continue monitoringsopzet. Het onderwerp zal af en toe bij een thematisch onderzoek naar voren komen.

Publieksconcentratie

Tegenover media-aanbod staat mediagebruik aan de publiekszijde van de mediamarkt. Bij elke besproken mediamarkt zal stil gestaan worden bij de publieksconcentratie, dat wil zeggen bij de vraag in welke mate publieksvoorkeuren zich al dan niet concentreren op bepaalde titels, netten en programmaonderdelen (programmacategorieën). Om publieksconcentratie statistisch te bepalen kan gebruik worden gemaakt van een statistische spreidingsmaatstaf.

Definiëring relevante markt: één of meer dan één mediamarkt?

Elke analyse van concentratie, concurrentie en pluriformiteit op mediamarkten begint met de vraag, hoe die markten moeten worden gedefinieerd. Aansluitend bij het mededingingsrecht gaat het daarbij om de vraag, wat de relevante mediamarkt is. Hoe kan worden bepaald of een mediamarkt ook daadwerkelijk één mediamarkt is? Mededingingsautoriteiten nemen vaak vraagsubstitutie als criterium om deze vraag te beantwoorden. Indien voor consumenten producten of diensten gezien hun eigenschappen, prijs en beoogd gebruik voor consumenten onderling inwisselbaar zijn, dan behoren die producten of diensten tot dezelfde markt. In de mediasector is het gebruikelijk om kranten, tijdschriften, radio en televisie als producten en diensten voor afzonderlijke relevante mediamarkten te beschouwen. Ook de Mediamonitor heeft deze indeling van de mediasector naar relevante mediamarkten als uitgangspunt genomen en biedt dan ook een sectorsgewijze beschrijving van achtereenvolgens de Nederlandse dagbladmarkt, televisiemarkt, radiomarkt, tijdschriftenmarkt en kabelsector.

Steeds meer waarnemers maken kanttekeningen bij de indeling van mediamarkten naar dagbladpers, tijdschriftpers, radio en televisie. Gegeven het moderne medialandschap en het gebruik dat mensen feitelijk van de media maken zou het meer voor de hand liggen om niet over vier of vijf verschillende mediamarkten te spreken maar over één relevante mediamarkt waarbinnen media onderling inwisselbaar zijn. De verdediging van deze stelling loopt langs twee lijnen. In de eerste plaats, langs de lijn van de opiniemarkt. Mediapluriformiteit wordt in onze samenleving als een groot goed beschouwd – en daarom mediaconcentratie als een potentieel risico -, omdat mediapluriformiteit zeer belangrijk is voor de maatschappelijke meningsvorming in onze democratische samenleving. Democratie en een free marketplace of ideas, een vrije, pluriforme opiniemarkt, gaan hand in hand. Het is voor de maatschappelijke meningsvorming niet belangrijk waar, op welke specifieke mediamarkten – krant, radio, televisie – burgers de bouwstenen voor hun opinies verkrijgen. Voor een democratie is slechts van belang dàt burgers kunnen putten uit een veelheid van bronnen die samen als één opiniemarkt kunnen worden beschouwd. Daarom kunnen alle media vanuit het oogpunt van de democratie worden beschouwd als te behoren tot één en dezelfde relevante markt.

De tweede verdedigingslijn van de stelling “er is tegenwoordig nog slechts één relevante mediamarkt” vindt zijn onderbouwing in de vrijetijdsbesteding en het mediagebruik van mediaconsumenten. Krantlezen, radio-luisteren en televisie-kijken zijn ‘slechts’ verschillende vormen waarmee consumenten hetzelfde willen bereiken, namelijk ‘vulling’ van vrijetijd. Nu eens leest men de krant, dan weer gaat de televisie aan en later de radio, maar steeds weer met het hetzelfde oogmerk om zich te laten informeren en te laten amuseren en verstrooien. Aldus geldt dat mediaproducten door mediaconsumenten meer en meer gerekend worden als te behoren tot één en dezelfde relevante markt.

Het Commissariaat blijft in de Mediamonitor kranten, tijdschriften, radio en televisie toch als verschillende mediaproducten beschouwen. Een praktisch argument daarvoor is dat de Monitor zich niet ver moet verwijderen van wat in de mediasector en ook in het mediabeleid en mededingingsbeleid conventie is, namelijk een afzonderlijke sectorsgewijze benadering (pers, radio en televisie) van verschillende mediatypen. De verschillende soorten media bieden alle weliswaar informatie, maar de eigenschappen van het desbetreffende medium zijn divers, waardoor er verschillende invalshoeken ontstaan voor het duiden van de achtergronden van de informatie. Elk medium kent eigen karakteristieken en verzorgt daarom een specifieke bijdrage in de informatievoorziening. Daarom zal afzonderlijk naar pers, radio en televisie moeten worden gekeken om vast te stellen, hoe het staat met mediaconcentratie, pluriformiteit van media-inhoud en zelfstandigheid en onafhankelijkheid van redacties en programmamakers. Per mediatype zal voldoende concurrentie aanwezig moeten zijn om een bepaald type mediakwaliteit tegen een redelijke prijs te kunnen blijven garanderen.

Deel deze pagina