Begrippenlijst

De betekenis van de hieronder opgenomen begrippen wordt toegelicht binnen de context van de Mediamonitor (het rapport en de website).

Aanbieder

Onderneming, verantwoordelijk voor het aanbod op de Nederlandse mediamarkten. Aanbieders zijn uitgevers van dagbladen en opinietijdschriften, omroepen met televisie- en radiozenders en eigenaren van webdomeinen. In de Mediamonitor is als aanbieder meestal gekozen voor de hoogste concernrelatie van het in Nederland actieve bedrijf. In een enkel geval wordt hiervan afgeweken en zijn de joint venture, de investeringsmaatschappij of het internationale moederconcern opgenomen als aanbieder.

Aanbiedersconcentratie

De mate waarin het aanbod op een mediamarkt zich concentreert bij één of meerdere aanbieders. Dit is afhankelijk van het aantal aanbieders op een mediamarkt en de verdeling van de marktaandelen over de tot deze aanbieders gerekende titels en zenders. Om dit in één getal uit te drukken wordt gebruik gemaakt van een concentratiemaatstaf.

Bedrijfsresultaat

Het verschil tussen de baten (netto omzet) en lasten (kosten) van een onderneming. Het bedrijfsresultaat is opgenomen om een indruk te geven van de opbrengsten uit ‘normale’ bedrijfsvoering. Waar mogelijk betreft het earnings before interest, taxes and amortisation (ebita).

Bereik

Maat voor het percentage of aantal van (een deel van) de bevolking dat binnen een bepaald tijdvak van één bepaald medium (dagbladtitel, televisie- of radiozender, webdomein) gebruik maakt, of anders gezegd: hierdoor wordt ‘bereikt’.

C1 / C2 / C3

Een maatstaf waarmee een indruk kan worden gegeven van de aanbiedersconcentratie op een mediamarkt. De C1, C2, C3 etc. zijn afgeleid van het marktaandeel van de grootste aanbieder(s): C1 is de marktleider, C2 is de optelsom van de marktleider en de nummer 2 op de markt en zo verder.

Dagblad

Alle kranten die minimaal vijf keer per week verschijnen en gericht zijn op (een deel van) het Nederlandse publiek, vallen onder de noemer ‘dagblad’. Dit is in overeenstemming met de definitie volgens de Tijdelijke wet mediaconcentraties. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een gespecialiseerde krant, zoals het Agrarisch Dagblad, en een algemene. Daarnaast tellen gratis verspreide kranten even zwaar mee als de betaalde versies.

Distributeur

Exploitant van een distributienetwerk voor het verkrijgen van toegang tot televisie, radio en/of internet. Kabel-, ether-, satelliet- en telecombedrijven gelden in de context van de Mediamonitor als distributeurs van media.

Herfindahl-Hirschman Index (HHI)

De Mediamonitor hanteert als concentratiemaatstaf onder meer de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Deze wordt berekend door de marktaandelen in proporties (25 procent = 0,25) van alle aanbieders op een mediamarkt te kwadrateren en op te tellen. De uiterste grenzen waarbinnen de concentratie zich afspeelt, zijn ‘1’ (maximale concentratie ofwel monopolie) en ‘1/n’, waarbij ‘n’ het aantal aanbieders is. Indien de HHI stijgt, is sprake van toenemende concentratie. Als de HHI daalt, neemt de concentratie af en is sprake van deconcentratie. Bij een HHI kleiner dan .10 spreekt men van een ongeconcentreerde markt. Tussen .10 en .18 is sprake van een gematigd geconcentreerde markt. Een HHI groter dan .18 vertegenwoordigt een sterk geconcentreerde markt.

Kernkrant

Een dagbladtitel of een samenstelling van meerdere dagbladtitels, gekenmerkt door een unieke bovenregionale berichtgeving. Het betreft in de eerste plaats nieuws met een nationale of internationale dimensie. Veel regionale dagbladtitels zijn op het gebied van bovenregionale berichtgeving nagenoeg identiek. Een dagblad dat samen met andere titels deel uit maakt van een kernkrant bestaat naast overeenkomstig bovenregionaal nieuws uit unieke regionale (vaak titelspecifieke) en/of een lokale (vaak editiespecifieke) berichtgeving. Een voorbeeld van een kernkrant in die zin zijn de dagbladtitels vallend onder het nieuwe AD. ‘Kernkrant’ is tegelijkertijd van toepassing op dagbladen met eigen, niet met een andere titel gedeelde bovenregionale berichtgeving, zoals de Volkskrant. Het totale aantal kernkranten is altijd kleiner of gelijk aan het aantal dagbladtitels. Wanneer een kernkrant slechts één titel omvat (bijvoorbeeld Het Parool), dan is de naam van de kernkrant identiek aan de titel. Als dezelfde kernkrant voor verschillende titels wordt gebruikt, dan wordt de kernkrant genoemd naar het samenwerkingsverband (bijvoorbeeld HDC-dagbladen). Hoewel het aantal kernkranten in de praktijk vaak overeen zal komen met het aantal algemene hoofdredacties, staat het begrip ‘kernkrant’ feitelijk los van de wijze waarop de redactie is georganiseerd. Het idee van een kernkrant is afgeleid van “Publizistische Einheit”, een Duitse standaardeenheid om dagbladen te tellen.

Marktaandeel

Maat voor het percentage van de totale oplage, gebruikstijd of bestedingen dat één bepaalde zender, titel of aanbieder binnen een bepaald tijdvak voor zijn rekening neemt, of anders gezegd: de verhouding binnen de markt (voor dagbladen, televisie, radio, internet en reclame) tussen verschillende titels, zenders en/of aanbieders. Marktaandelen op de dagbladenmarkt moeten worden opgevat als oplage-aandelen, op de televisiemarkt als kijktijdaandelen, op de radiomarkt als luistertijdaandelen, op de internetmarkt als bezoekersaandelen en op de reclamemarkt als bestedingsaandelen.

Mediabedrijven

Bedrijven, actief als aanbieder of distributeur op of in relatie tot één van de Nederlandse mediamarkten: de selectie van de Mediamonitor beperkt zich tot activiteiten van aanbieders op de dagbladenmarkt, opinietijdschriftenmarkt, televisiemarkt, radiomarkt, internetmarkt en reclamemarkt en van kabel-, satelliet- en telecomexploitanten op de distributiemarkt voor televisie, radio en internet.

Mediabestedingen

Inkomsten uit advertenties en reclameboodschappen over de verschillende mediaplatforms. De Mediamonitor beschrijft een selectie uit de netto mediabestedingen: dagbladen, huis-aan-huisbladen en nieuwsbladen, opinietijdschriften, vak- en managementtijdschriften, publiekstijdschriften, televisie, radio en internet. De netto mediabestedingen geven inzicht in daadwerkelijke geldstromen en in de waardering van adverteerders voor een bepaald medium. De netto mediabestedingen komen tot stand door onderzoek onder uitgevers en mediaexploitanten, die ten behoeve van het onderzoek opgave doen van de netto advertentieomzet in de media die zij exploiteren. De bruto mediabestedingen komen tot stand door de registratie van ruim duizend verschillende media in vrijwel alle mediumtypen en gaan uit van de tariefkaarten van de media. Een medium wordt gemeten, waarbij advertenties aan de hand van een groot aantal kenmerken worden opgenomen in de registratie. De actuele tarieven van de media vormen een rekeneenheid op basis waarvan de advertenties een waarde krijgen toebedeeld. Hierbij worden eventuele kortingen en individuele prijsafspraken buiten beschouwing gelaten. Het toekennen van een waarde aan een advertentie is essentieel voor de vergelijkbaarheid van media onderling.

Publiekstijdschrift

De definitie van een publiekstijdschrift, zoals deze door de Groep Publiekstijdschriften van het Nederlands Uitgeversverbond is opgesteld, is als volgt: “een minstens vier keer per jaar verschijnende uitgave, die op eigen initiatief en voor eigen rekening en risico van de uitgever op de markt wordt gebracht. De uitgave kent een redactionele onafhankelijkheid en richt zich op een brede lezerskring van vrouwen en/of mannen, gezinnen, jongeren of kinderen. De inhoud is algemeen informatief, ontspannend en al dan niet meningvormend. De verspreiding van de uitgave kan gratis geschieden of op basis van abonnement en/of losse verkoop.” De Mediamonitor volgt deze definitie, met als extra afbakening dat alleen tijdschriften met een minimale verschijningsfrequentie van tien maal per jaar worden meegenomen. Naast de categorieën die standaard onder deze definitie vallen, volgt de Mediamonitor tevens de sponsored magazines en de dagbladmagazines.

Deel deze pagina