Trends in 2010

Tijdelijke wet mediaconcentraties

In 2007 is de Tijdelijke wet mediaconcentraties (Twm) van kracht geworden die het mogelijk maakt dat ondernemingen door fusies een aandeel op de dagbladenmarkt kunnen hebben van maximaal 35 procent. Om zich multimediaal te kunnen ontwikkelen bepaalt de wet dat één onderneming maximaal 90 procent gezamenlijk marktaandeel mag hebben in dagbladen, radio en televisie. Het stellen van grenzen aan het maximale marktaandeel gebeurt tegen de achtergrond van de gedachte dat teveel opiniemacht in één hand onwenselijk is. Als door fusies en faillissementen het aantal titels terugloopt, krijgen ondernemingen een groot marktaandeel wat afbreuk doet aan de verscheidenheid en de onafhankelijkheid van nieuws- en informatievoorziening.

De minister van OCW heeft in 2010 besloten dat het algemene mededingingstoezicht door de NMa voldoende is, waarna de wetgever de Twm per 1 januari 2011 heeft ingetrokken. Met deze intrekking is voor het Commissariaat voor de Media vooralsnog de wettelijke basis onder de Mediamonitor weggevallen. Er is echter door de minister uitdrukkelijk verzocht om ook zonder dat wettelijk fundament het werk van de Mediamonitor te continueren. Tevens is de toezegging gedaan om bij een van de komende wijzigingen van de Mediawet de Mediamonitor daar een plaats te geven.

 

De macht van nieuwe media

Steeds meer mensen in het centrum van de macht weten de weg naar Twitter te vinden. Politici ventileren in toenemende mate hun opvattingen en commentaar via dit medium, soms zelfs terwijl het debat in de Kamer waaraan zij deelnemen nog gaande is. Zo vervangt Twitter soms woordvoerders en het rechtstreekse contact met journalisten.

Welke enorme impact sociale media op de samenleving kunnen hebben, is sinds 2010 wel heel duidelijk geworden. Waar het aanvankelijk ging om een ontmoetingsplaats waar gelijkgestemden ervaringen uitwisselen, bleken communicatievormen zoals Twitter en Facebook uiteindelijk zelfs in staat om een belangrijke rol te spelen bij internationale politieke ontwikkelingen. Bij de politieke omwenteling in Tunesië in januari 2011, die uitmondde in de vlucht van president Ben Ali, bleek het afsnijden van de informatiekanalen onmogelijk. Door  Twittergebruik dat door de autoriteiten niet was te ontregelen, wisten demonstranten zich zodanig te organiseren dat zij hun acties dagen achtereen konden voortzetten en uiteindelijk resultaat boekten. Het Tunesische voorbeeld van inzet van nieuwe media om het regime onder druk te zetten kreeg kort nadien navolging in Egypte. De jonge man die in dat land via Facebook een aanzet gaf voor de massale demonstraties op het centrale plein in Caïro werd na de omwenteling een nationale held.

Dat internet een invloedrijk medium is, bleek wel uit de ophef die ontstond rondom WikiLeaks en haar voorman Julien Assange. De organisatie zorgde ervoor dat tienduizenden officiële Amerikaanse documenten voor een ieder te raadplegen waren op internet. Dit leidde tot grote onrust en in enkele gevallen tot verlegenheid bij personen van wie uitspraken onbedoeld openbaar waren geworden. De Amerikaanse autoriteiten namen de zaak hoog op en lieten een internationaal opsporingsbevel tegen Assange uitvaardigen.

 

Publieke Omroep

Bezuinigen op de Publieke Omroep is een Europese trend. Verlaging van budgetten, het uitdunnen van de programmering en ontslag van personeel is onder andere aan de orde bij de BBC, RFI-France 24 en de Deutsche Welle.

In Nederland zorgen de afspraken in het regeerakkoord van het kabinet Rutte voor een forse opgave voor de Publieke Omroep. Vanaf 2013 krijgt de omroep te maken met kortingen op het mediabudget die in 2013 beginnen met 50 miljoen euro en in de daaropvolgende jaren oplopen tot 200 miljoen euro, oftewel rond een kwart van het huidige mediabudget. De publieke omroepen moeten daarvan het leeuwendeel voor hun rekening nemen. Daarnaast was overeengekomen het Muziekcentrum van de Omroep (MCO) in zijn geheel op te heffen, waardoor het Radiofilharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor, het Metropole Orkest en de uitgebreide muziekbibliotheek zouden ophouden te bestaan. Het idee om tot opheffing over te gaan is later gedeeltelijk afgezwakt.

Met de Wereldomroep heeft het kabinet andere plannen. Deze organisatie zal onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Buitenlandse Zaken gaan vallen en raakt een belangrijk deel van zijn takenpakket kwijt, zo blijkt uit de mediabrief van juni 2011 van minister Van Bijsterveld aan de Tweede Kamer. Slechts één kerntaak, het verzorgen van nieuws in landen waar het minder goed gesteld is met objectieve, onafhankelijke nieuwsvoorziening, blijft bestaan.

De bezuinigingen mogen niet ten koste gaan van de kwaliteit van de programmering van de Publieke Omroep, maar voor het geval dat dit toch zou gebeuren heeft het kabinet de optie open gehouden van het laten vervallen van een van de drie televisienetten. Besparingen moeten dus in eerste instantie gevonden worden in efficiëntiemaatregelen waarvan, zoals blijkt uit het regeerakkoord en eerdergenoemde mediabrief, het terugbrengen van het aantal omroepen tot maximaal acht (zes verenigingen en twee taakorganisaties) de meest in het oog springende is. De eerste stap in die richting is gezet door de NPS, Teleac en RVU die in 2010 fuseerden in de nieuwe omroepinstelling NTR.

In 2010 vonden er enkele mutaties plaats in de samenstelling van de landelijke publieke omroepen,waardoor het aantal is toegenomen. In september zijn de aspirant-omroepverenigingen PowNed en WNL met hun activiteiten begonnen. Daar stond tegenover dat omroepvereniging LLiNK, die geen definitieve erkenning kreeg, het bestel heeft moeten verlaten. Administratief beroep tegen de beslissing van de minister is door de rechtbank Amsterdam afgewezen. Na langdurige juridische procedures kon een nieuwe organisatie aangewezen worden voor het verzorgen van media-aanbod ten behoeve van de islamitische stroming in de samenleving. Van de twee instellingen die dit aanbod voordien voor hun rekening namen was namelijk de NMO failliet gegaan en had de NIO geen nieuwe aanvraag ingediend. Kort na de aanwijzing viel de nieuwe organisatie echter uiteen en moest de aanwijzing worden ingetrokken. Zendtijd en financiën zijn daarna ondergebracht bij de NTR.

 

Programmagegevens

De situatie met betrekking tot de publicatie van programmagegevens in Nederland is uniek: alle radio- en televisiebladen worden uitgegeven door omroepen, terwijl in de meeste andere landen gidsen juist niet door de omroepen zelf worden uitgegeven. Het kabinet Rutte heeft in 2010 duidelijk gemaakt dat ook andere partijen tegen een redelijke vergoeding de beschikking moeten kunnen krijgen over de programmagegevens van de publieke omroepen. Tijdens het debat over de mediabegroting eind 2010 heeft de minister de NPO en de uitgevers gevraagd voor 1 april 2011 met een gezamenlijk voorstel te komen. Tegelijkertijd is het Commissariaat voor de Media gevraagd onderzoek te doen naar het vrijgeven van de programmagegevens en een redelijke prijs vast te stellen. Het voorstel van het Commissariaat voor de Media om per uitgegeven blad een prijs van 1,95 eurocent voor de programmagegevens van de Publieke Omroep te hanteren, is door de minister overgenomen. Onbekend is vooralsnog of ook RTL Nederland en SBS Nederland bereid zijn hun gegevens ter beschikking te stellen ten gunste van nieuwe initiatieven van derden.

Sanoma Uitgevers (vanaf 2011: Sanoma Media Nederland) beschikte aanvankelijk over 25 procent in Programmabladen AKN (vanaf 2011 Bindinc. geheten). Met de overname van SBS Nederland en daarmee Veronica Uitgeverij krijgt Sanoma er twee radio- en televisiebladen bij: Veronica Magazine en Totaal TV. Hiermee wordt meer dan 60 procent van de oplage van alle radio- en televisiebladen uitgegeven door Sanoma.

 

Regionale en lokale omroep

Voor de dertien regionale omroepen geldt sinds 2006 dat hun financiering niet meer centraal geregeld is, maar dat de provinciebesturen verantwoordelijk zijn voor de bekostiging. Bij de instelling van het nieuwe financieringssysteem is een waarborg ingebouwd die ervoor moet  zorgen dat de omroepen op hetzelfde niveau kunnen blijven functioneren als in de jaren daarvoor. Als gevolg van de bezuinigingen is een aantal provincies voornemens om te korten op het budget van de regionale omroepen.

In het debat over de toekomstige inrichting van het publieke mediabestel richtte de aandacht zich ook op de regionale omroep. De VVD pleitte ervoor om een van de drie landelijke televisienetten ter beschikking te stellen aan de regionale omroep. Het kabinet koos uiteindelijk voor een model van integratie van de twee omroeplagen waarbij onder meer gedacht wordt aan regionale vensters op de landelijke netten. Hoe een en ander precies zijn beslag zal krijgen zal nader worden uitgewerkt.

Lokale omroepen werken doorgaans met bescheiden budgetten. Zij zijn afhankelijk van inkomstenuit donaties, reclame, sponsoring en nevenactiviteiten en van gemeentelijke subsidies. Daarvoor is budget uit het gemeentefonds beschikbaar en vanuit de politiek is aangegeven dat per huishouden in de gemeente een bedrag van 1,30 euro als subsidie aan de lokale omroep gegeven zou kunnen worden. Het geld is echter niet geoormerkt dus de gemeenten hebben ruimte in hun subsidiebeleid om voor andere bestedingsdoeleinden te kiezen.

Digitale televisie maakt nog steeds een opmars door. Omwille van blijvende vindbaarheid voor het publiek, streven ook de lokale omroepen naar een overstap van het analoge naar het digitale pakket op de kabel. Zij worden daarbij echter geconfronteerd met andere eisen voor aanlevering van het signaal dan bij analoge doorgifte, die financiële consequenties hebben voor de doorgaans met een beperkt budget werkende omroepen. Een plaats in het digitale pakket lijkt daardoor vooralsnog niet voor elke omroep haalbaar.

 

Muziekzenders

Voor de liefhebbers is er lange tijd een ruime keuze geweest uit muziekzenders die videoclips uitzonden. Die keus werd al minder toen in 2007 het station The Box de uitzendingen staakte. MTV en TMF bleven daarna als clipzenders over. MTV, dat in 2001 TMF heeft overgenomen, richtte zich op de wat oudere generatie jongeren en TMF was de zender voor de tieners. Het muziekaanbod nam verder af, nadat MTV het format van de zender veranderde en het profiel aannam van een meer algemene jongerenzender. Vanaf april 2011 heeft TMF de uitzendingen op de analoge kabel geheel gestaakt. Zij heeft haar plaats afgestaan aan Kindernet en heeft de eigen activiteiten verplaatst naar een interactief digitaal kanaal waar jongeren muzieknummers direct kunnen downloaden en met elkaar kunnen chatten. De beslissing om de analoge uitzendingen niet te continueren is mede ingegeven door het veranderde mediagebruik van de doelgroep. Jongeren willen on-demand toegang tot hun favoriete muziek en maken daarvoor in toenemende mate gebruik van internet en dan met name van YouTube en ook diensten als Spotify en Last FM. Door over te stappen op digitaal on-demand aanbod van muziek speelt TMF in op deze ontwikkeling.

 

Tabletcomputers

2010 is zonder meer het jaar van de stormachtige opkomst van de tabletcomputer. Appletopman Steve Jobs presenteerde in het voorjaar de iPad en later in dat jaar volgde Samsung met een tabletcomputer met het Android-besturingssysteem. Inmiddels lijkt het alsof dit apparaat al veel langer op de markt is. Niet eerder is een innovatief product zo snel ingeburgerd geraakt. De tabletcomputer heeft zich in korte tijd bewezen als aanjager voor businessmodellen van uitgevers, omdat gebruikers bereid lijken te zijn om te betalen voor applicaties op de tablets, terwijl zij nieuwsaanbod op internet voorheen alleen gratis wilden afnemen.

De sterke positie van Apple op de markt voor apps, die het bedrijf met producten als de iPad en de iPhone verworven heeft, brengt ook een potentiële beperking met zich mee voor de informatievrijheid. Hoewel Apple zelf geen contentleverancier is, onderwerpt zij aangeboden apps wel aan een inhoudelijke controle en beslist zij uiteindelijk welke apps beschikbaar komen. Dat de mediabedrijven die met de controle van Apple te maken kregen daartegen geen verdere stappen ondernamen, illustreert de macht die het bedrijf verworven heeft. Die macht komt onder meer tot uitdrukking in de interne richtlijnen die erotisch getinte, illegale of op de privacy inbreuk makende content verbieden. Het komt niet alleen voor dat bepaalde content op voorhand wordt tegengehouden, maar ook dat apps die al in de online Applewinkel waren opgenomen, daaruit worden verwijderd. Voorbeelden daarvan zijn het spel ‘My Shoe’, waarin met een verwijzing naar een incident in Irak een schoen naar het hoofd van president Bush kon worden gegooid, en de strips met politieke satire die Pullitzer Price-winnaar Mark Fiore tekende.

Apple heeft een machtige positie ingenomen, maar ook Google timmert hard aan de weg met het open source besturingssysteem Android. Deze ontwikkeling roept herinneringen op aan de jaren tachtig, toen Apple koos voor een afgesloten systeem met eigen software op eigen hardware en Microsoft daar Windows tegenover zette als open systeem met software die op pc’s van alle fabrikanten (met uitzondering van Apple) functioneert. In de concurrentiestrijd tussen systemen voor smartphones en tabletcomputers kiest Apple dus opnieuw voor een gesloten systeem en kiest Google voor het open Android-systeem dat op alle hardware geïnstalleerd kan worden. Voor uitgevers is dat laatste model aantrekkelijk omdat het goedkoper is en zij in ieder geval niet te maken krijgen met een min of meer marginale inhoudelijke toetsing. De uitkomst van de concurrentiestrijd zal van invloed zijn op de manier waarop mensen in de toekomst met elkaar communiceren en hoe zij nieuws tot zich kunnen nemen.

 

Internet en milieu

Op allerlei gebieden wordt de samenleving bewust gemaakt van het belang van duurzaamheid. De auto-industrie brengt hybride en elektrische modellen op de markt en de overheid neemt stimuleringsmaatregelen om de afname daarvan te bevorderen. Dezelfde overheid heeft de klassieke gloeilamp in de ban gedaan ten gunste van spaarlampen. Intussen realiseert niet iedereen zich dat de toename van het internetgebruik en van de nieuwe mogelijkheden  die het web biedt, gepaard gaan met een navenante stijging van het energiegebruik. Doordat data in steeds grotere volumes over het web getransporteerd worden, zijn ook steeds grotere serverparken nodig die het hele jaar door zonder pieken of dalen energie nodig hebben. In de Verenigde Staten concentreren dergelijke parken zich in staten waar de energieprijzen het laagst zijn.

 

Connected tv

In 2011 was ‘connected tv’ een veel gehoord thema op de agenda van mediacongressen en -seminars in binnen- en buitenland. Bij connected tv – ook wel aangeduid als ‘over the top tv’ – kan men internetaanbod op de televisie bekijken in aanvulling op de lineaire tv-programmering. Er zijn grofweg twee hoofdvarianten: een open systeem waarbij de gebruiker de toegang heeft tot het gehele world wide web en een gesloten systeem waarbij een beperkt aantal sites of diensten beschikbaar zijn, vaak aangepast aan vertoning op een groot tv-scherm. In dat geval is er sprake van widgets waarbij websites worden aangepast voor weergave op een groot scherm, vergelijkbaar met de apps voor smartphones. Voor deze vorm van tv-kijken is een tv-toestel nodig dat voor deze techniek is uitgerust, meestal door middel van een ethernetpoort die verbinding kan maken met internet. Een andere optie is dat gebruik wordt gemaakt van een settop-box zoals Apple TV of spelcomputers die deze techniek ondersteunen (Wii, Playstation 3). Connected tv brengt risico’s met zich mee voor de traditionele partijen. De rol van bijvoorbeeld kabelaars kan uitgespeeld raken als consumenten tv-programma’s steeds vaker direct van internet betrekken. Voor tv-fabrikanten betekent de ontwikkeling juist een nieuwe impuls en een kans om rechtstreeks overeenkomsten aan te gaan met contentpartijen. In de praktijk gebeurt dit ook steeds meer, zie bijvoorbeeld in Frankrijk de deals tussen Orange en LG en TF1 en Samsung. Daardoor verschuiven de posities van spelers in de waardeketen van media en dreigen traditionele tv-stations hun aloude rol van ‘packager’ te verliezen. Omroepen zijn beducht voor aantasting van de integriteit van hun programma’s als derden allerlei (internet gerelateerde) informatie of commercie kunnen toevoegen. Een belangrijke vraag bij connected tv is ook wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor en aanspreekbaar is op eventuele overtredingen van bijvoorbeeld reclameregels en onder welk wettelijk regime de aangeboden content precies valt.

Deel deze pagina