Trends in 2009

Economische crisis

In de Mediamonitor 2008 opende het hoofdstuk over trends en ontwikkelingen met een passage over de economische crisis die vrijwel alle sectoren en dus ook de mediasector in zijn greep houdt. Hoewel de economie enigszins uit het dal lijkt te kruipen, ervaren mediabedrijven nog steeds de gevolgen. Advertentieverkopen bij de geschreven pers en bij de commerciële omroepen staan onder druk en de verkoop van nieuwe abonnementen op dagbladen stagneert. Voor al te veel optimisme waarschuwt in maart 2010 de president van de Nederlandse Bank Nout Wellink. Hij voorspelt zware tijden omdat bestedingen door het publiek achter blijven en de rekening voor het door de overheid in het financiële systeem gestopte geld nog gepresenteerd zal worden.

Naar verwachting zullen de moeilijke tijden waarin de mediasector terecht is gekomen nog wel even aanhouden. In de dagbladsector is nog steeds sprake van inkrimpende redacties (de term rompredacties wordt in dat verband steeds vaker gebruikt). Steeds minder mensen moeten in steeds minder tijd zorgen dat hoogwaardige nieuwsvoorziening en degelijke achtergrondjournalistiek op peil blijven. Door gebrek aan adverteerders sneuvelde ook de enige zondagkrant die Nederland nog rijk was: op 20 december 2009 verscheen het laatste nummer van De Telegraaf op Zondag.

 

Tijdelijke wet

Zoals de naam al aangeeft was het de bedoeling dat de Tijdelijke wet mediaconcentraties een beperkt leven beschoren zou zijn. De werkingsduur van de wet eindigde op 1 januari 2010. Na een evaluatie begin 2009 is bij Koninklijk Besluit van 21 december 2009 besloten om de wet, die de crossownershipregeling uit de oude Mediawet heeft vervangen, te handhaven tot 1 januari 2012. De regering was voorstander van verlenging omdat volgens haar in het licht van al maar toenemende concentraties van mediabedrijven aanhoudende zorg van de overheid voor teveel opiniemacht gerechtvaardigd is.

Helemaal ongeschonden is het regeringsvoorstel overigens niet door de Kamer gekomen. In een motie van de leden Remkes, Bosma en Atsma die door een meerderheid gedragen werd, is de keuze voorgelegd om ofwel de wet niet te verlengen, ofwel het maximum dat geldt voor concentraties op de dagbladmarkt te verhogen van 35 naar 50 procent. De regering beraadt zich nog hoe met deze motie zal worden omgegaan, maar de verwachting is dat de voorgestelde verhoging naar 50 procent zal worden doorgevoerd. Onder de oude crossownershipregeling mocht niet meer dan 25 procent van de oplage van alle betaalde dagbladen in handen van één aanbieder komen. Als dagblad werd toen een betaalde krant aangemerkt die ten minste zes keer per week verscheen. Met de komst van de tijdelijke wet is de grens opgetrokken naar 35 procent en telt ook de oplage van de (gratis) dagbladen die vijf keer per week verschijnen mee. Onder deze omstandigheden is geen enkele van de aangemelde concentraties boven de wettelijke grens uitgekomen. Met de verruiming van de grens tot 50 procent is de kans dat een concentratie op grond van de wettelijke criteria zal moeten worden tegen gehouden nog een stuk kleiner geworden. Uiteraard blijft wel het algemene mededingingstoezicht door de NMa van kracht, wat betekent dat ook concentraties die onder de grens van 35 procent blijven niet zonder meer doorgang kunnen vinden. Een recent voorbeeld van ingrijpen door de NMa is de opdracht aan De Persgroep om na de overname van PCM Uitgevers NRC Handelsblad en nrc.next te verkopen.

 

Tabloids

Een krant heeft er in Nederland sinds mensenheugenis uit gezien als een krant. Dat wil zeggen een groot stuk papier dat op elke pagina ruimte biedt voor verschillende artikelen van aanzienlijke omvang, foto’s en liefst nog enkele advertenties: broadsheet kortom. Gaandeweg zijn echter steeds meer dagbladen overgestapt op het kleinere tabloidformaat. Er is een duidelijke trend gaande, waarin na de gratis dagbladen die vanaf het begin op tabloid verschijnen ook kranten als Het Parool, AD, Trouw en de meerderheid van de regionale dagbladen van formaat veranderden en recent ook de Volkskrant overstapte op een nieuw formaat. In 2009 kwam de Volkskrant al met het idee om een nieuwe titel op tabloidformaat in de markt te zetten. De krant waarvoor de werk-titels ‘V’of ‘VLKSKRNT’ klaar lagen zou een directe concurrent moeten worden van nrc.next. De doelgroep bestond uit progressieve jongeren die zich niet thuis voelen bij NRC. Uiteindelijk ging de lancering van een nieuwe titel niet door, maar dat bleek niet het einde van de aspiraties van de Volkskrant om over te stappen op tabloid. Per 29 maart 2010 verschijnt de krant voor het eerst op het nieuwe formaat. Op de voorpagina kondigt de Volkskrant dat in de week voorafgaande aan 29 maart met dik opgelegde ironie aan met de woorden “Het gaat goed met de wereld. De krant kan dus wel wat kleiner”.

Niet iedereen is overigens even enthousiast over tabloid. In maart 2010 zegt de kersverse NRC-eigenaar Derk Sauer dat hij hoe dan ook trouw zal blijven aan broadsheet. Tabloid staat volgens hem voor snel en oppervlakkig en dat past niet bij NRC Handelsblad. Als Sauer woord houdt, zijn straks NRC Handelsblad en De Telegraaf nog de enige landelijke dagbladen die op het grote formaat verschijnen.

 

Commissie Brinkman

De positie van de dagbladpers kreeg in 2009 bijzondere aandacht door het instellen van de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers, kortweg de commissie Brinkman en het standpunt van de regering dat op het eindrapport van de commissie volgde. De commissie is ingesteld omdat de perssector al lange tijd te maken heeft met dalende oplagen en advertentieinkomsten en met stijgende kosten van productie en distributie. De aanname was dat de eerste kranten binnen vijf jaar structureel verlieslijdend zullen zijn. De minister toonde zich bereid om de kranten op korte termijn te helpen om de bedrijfsvoering weer op orde te brengen, maar gaf daarbij tegelijkertijd aan dat de uitgevers, hoofdredacteuren en journalisten de noodzakelijke innovatie zelf vorm zullen moeten geven. De overheid bood voor dat proces wel ondersteuning aan in de vorm van financiën voor een innovatieregeling die wordt opgesteld en uitgevoerd door het Stimuleringsfonds voor de Pers.

Overigens vielen niet alle voorstellen van de commissie bij de regering in goede aarde. Veel aandacht trok het idee van de commissie om een internetheffing in het leven te roepen, om daarmee geld beschikbaar te laten komen voor innovatie van de pers. Het idee werd onmiddellijk door de minister van tafel gehaald. De aanbeveling van de commissie dat de geschreven pers vooral op internet meer samenwerking moet zoeken met de publieke omroep is wel omarmd. Deze samenwerking zou onder andere tot uitdrukking kunnen komen door het ter beschikking stellen van beeldmateriaal van de publieke omroep aan krantensites. Voorts neemt de minster het besluit steun te verlenen aan het nog te vormen distributienetwerk van de dagbladsector. Door gezamenlijk de verspreiding van de kranten te organiseren kan geld worden bespaard. De minister heeft het niet bij woorden alleen gelaten, maar heeft concrete financiële steun toegezegd. Dagbladen die jonge journalisten in dienst willen nemen, kunnen een beroep doen op het Stimuleringsfonds voor de Pers, dat een bedrag van 4 miljoen euro te verdelen krijgt. Door deze steun kunnen over een periode van twee jaar ongeveer 60 jonge journalisten aan een baan geholpen worden. Het Stimuleringsfonds heeft daarnaast 8 miljoen euro te besteden voor innovatieve projecten.

De uitgevers toonden aanvankelijk weinig interesse in de steunmaatregelen die de minister heeft genomen. Zij nemen een afwachtende houding aan, maar gaandeweg nam de interesse toe zodat via het Stimuleringsfonds 52 zogeheten Plasterkjournalisten aan een baan zijn geholpen. De uitgevers van NRC Handelsblad en opinietijdschrift Elsevier hebben verklaard dat zij principieel weigeren geld aan te nemen van de overheid, omdat zij inhoudelijke overheidsbemoeienis vrezen. De door de commissie aanbevolen samenwerking met de publieke omroep komt maar moeizaam van de grond. Er zijn nog nauwelijks concrete plannen gepresenteerd. Het beeld dringt zich op dat de dagbladsector zelf weinig innovatief is op dit moment.

 

Gratis

In november 2008 stond het Commissariaat stil bij zijn twintigjarig bestaan. In een bijeenkomst met vooraanstaande vertegenwoordigers uit de wereld van omroep en dagbladpers werd van gedachten gewisseld over de toekomst van de verschillende mediatypen. De stelling die het Commissariaat toen poneerde was dat ‘gratis’ het sleutelwoord zou zijn in de informatievoorziening. Het succes van de gratis kranten en de gewenning aan overvloedige beschikbaarheid van gratis informatie op het internet zou de consument steeds verder vervreemden van het idee dat betalen voor nieuws en achtergronden de standaard is.

In 2009 is de aanname dat straks alles op mediagebied gratis verkrijgbaar zal zijn langzaam gaan kantelen. Om te beginnen zijn in 2009 juridische acties gestart tegen sites als The Pirate Bay die mensen in staat stellen om kosteloos muziek te downloaden. In Zweden had dat succes toen de rechter een verbod uitsprak over de activiteiten van de site. Op het gebied van nieuws en informatie deed de invloedrijke mediamagnaat Rupert Murdoch van zich spreken. Hij bracht naar buiten op zoek te gaan naar een verdienmodel voor online nieuws. Als voorschot op zijn plannen is samen met enkele andere uitgevers druk gezet op Google om de toegang tot gratis nieuwsberichten te beperken. Met de actie is bereikt dat Google ten hoogste vijf berichten gratis zal laten aanklikken en daarna betaling of registratie zal doorvoeren.

In de Verenigde Staten is door het Pew Research Centre een onderzoek uitgevoerd naar de bereidheid om te betalen voor online nieuws. Uit het onderzoek kwam naar voren dat bij 7 procent van de ondervraagden die bereidheid bestond. Van de personen die slechts één site bezoeken voor hun nieuwsbehoefte liet 19 procent weten dat zij de dienst ook tegen betaling af zouden nemen. Een percentage van 19 lijkt niet veel, maar voor veel sites is het genoeg om over te stappen naar een betaalmodel. Opvallend is dat juist jongeren eerder geneigd blijken te zijn te betalen voor nieuws, films en andere content, zoals een onderzoek van Nielsen in 52 landen uit wees.

Een paar grote kranten, waaronder The New York Times lieten weten de overstap naar nieuws tegen betaling te overwegen. In het Verenigd Koninkrijk zijn de plannen voor betaald nieuws op internet inmiddels geconcretiseerd en in Duitsland heeft uitgeverij Springer onlangs een betaalmodel voor online nieuws ingevoerd. In maart 2010 werd bekend dat The Times en The Sunday Times vanaf juni geld gaan vragen voor hun website. Voor een bedrag van 1 pond kunnen lezers straks een dagpas krijgen en voor 2 pond krijgt men een week lang toegang tot de sites. Volgens de directeur van het moederbedrijf News International is de stap om geld te vragen voor het nieuws een beslissend moment in het weer gezond maken van kranten.

 

Publieke omroep

In 2009 is het beginsel van openheid van het publieke omroepbestel op de proef gesteld. Alle bestaande omroepverenigingen konden een nieuwe erkenning voor een aansluitende periode van vijf jaar aanvragen, de twee aspirant omroepen MAX en LLiNK konden hun voorlopige erkenning omzetten in een definitieve en nieuwe initiatieven hadden de kans om tot het bestel toe te treden. De animo voor een erkenning of een voorlopige erkenning bleek groot en de jacht op omroepleden was intensief. Nieuwe initiatieven moesten als eerste horde de grens bereiken van het minimale aantal van 50.000 leden. Vanwege deze grens moesten enkele initiatieven zoals Omroep C en Zenit vroegtijdig de handdoek in de ring werpen. Meer succes hadden het door dagblad De Telegraaf geïnitieerde Wakker Nederland en het aan internetsite GeenStijl (eigendom van de Telegraaf Media Groep) gelieerde PowNed. Zij wisten beide meer dan de vereiste 50.000 leden aan zich te binden en na advisering door de raad van bestuur van de NPO, de Raad voor Cultuur en het Commissariaat besloot minister Plasterk de begeerde voorlopige erkenning te verlenen. Voor Wakker Nederland gold daarbij dat zij de banden met De Telegraaf diende te verbreken. De vereniging nam daarop de naam WNL aan, een acroniem waarvan tot op de dag van vandaag niemand weet waar dat precies voor staat. Zelfs de verenigingsstatuten geven geen uitsluitsel.

Minder goed is het de idealistische omroepvereniging LLiNK vergaan. Een slechte beoordeling door de visitatiecommissie, gevoegd bij achterblijvende programmatische prestaties en falend financieel beleid leidden tot de beslissing van de minister dat LLiNK het bestel per september 2010 dient te verlaten. LLiNK vecht deze beslissing momenteel aan op alle juridische fronten die de omroep kan vinden.

Waar LLiNK de twijfelachtige eer had om als eerste publieke omroep in de geschiedenis surseance van betaling aan te moeten vragen, liep het in 2010 nog slechter af met de Nederlandse Moslim Omroep. In maart van dit jaar is door de rechter het faillissement uitgesproken. Daarmee is een einde gekomen aan jarenlange onderlinge bestuurlijke onmin en juridische strijd.

Na afronding van de procedure met de erkenningen, is de discussie verder gegaan over de organisatorische inrichting van de landelijke publieke omroep. Minister Plasterk initieerde eind 2009 een consultatie over de toekomst van de publieke omroep na 2016. Hij nam op de uitkomst van de consultatie direct een voorschot met uitlatingen in de pers dat wat hem betreft het aantal omroepen in het bestel drastisch beperkt zou kunnen worden. Daarbij is een getal van maximaal 15 omroepen genoemd en is de mogelijkheid geopperd van fusies tussen omroepen. De minister kreeg voor zijn ideeën bijval van Henk Hagoort, de voorzitter van de raad van bestuur van de NPO.

 

Audiovisuele mediadiensten

Eind 2009 is een eerste stap genomen om op een vergelijkbare manier toe te zien op zowel lineaire als non-lineaire audiovisuele mediadiensten. Na de inwerkingtreding van de Europese richtlijn audiovisuele mediadiensten waren in 2009 de lidstaten aan zet om de richtlijn om te zetten in nationale wetgeving. In het najaar van 2009 is in Nederland de richtlijn tijdig geïmplementeerd in de Mediawet. Ook na de implementatie is het werk echter nog niet gedaan. Er moet namelijk met behulp van de criteria die de toelichting bij de richtlijn aanreikt gedefinieerd worden welke diensten precies onder de werking van de wet komen te vallen. Dit proces is nog niet afgerond, maar wel is duidelijk geworden dat Nederland tezamen met het Verenigd Koninkrijk voorop loopt met het vaststellen van een heldere definitie van non-lineaire diensten waarvan de aanbieders te maken zullen krijgen met een registratieplicht en met de verplichting om toezichtkosten te betalen. Na het vaststellen van de definitie zal een voorlichtingstraject nodig zijn, omdat partijen die op internet actief zijn niet gewend zijn aan overheidsregulering van hun diensten. Zoals het zich nu laat aanzien zullen de consequenties van de Europese richtlijn overigens slechts voor een beperkt aantal audiovisuele diensten voelbaar zijn.

 

Google en Microsoft

De bedrijven Google en Microsoft zijn twee giganten waar de gebruiker moeilijk omheen kan. Google is de meest gebruikte zoekmachine ter wereld en Microsoft is met het besturingssysteem Windows de onbetwiste marktleider. Dat met die dominante marktpositie overigens niet altijd even zorgvuldig wordt omgesprongen, blijkt uit het feit dat Eurocommissaris Kroes Microsoft tot drie keer toe boetes oplegde wegens misbruik van machtspositie. De laatste keer ging het om een bedrag van 889 miljoen euro, wat de hoogste boete is die de Europese Commissie ooit aan een bedrijf heeft opgelegd.

Beide bedrijven blijven actief met het steeds weer ontwikkelen van nieuwe diensten. Google kwam eind 2009 met de mededeling voornemens te zijn de markt te betreden met navigatiesoftware voor het verkeer. Omdat het bericht afkomstig was van zo’n grote speler kreeg de beurskoers van TomTom direct forse klappen. Een ander ambitieus project is het creëren van wat men de bibliotheek van de toekomst noemt. Sinds de start van dit project zijn tien miljoen boeken gescand en online gezet. Aanvankelijk gebeurde dat ongevraagd, maar in een schikking die volgde op een in de Verenigde Staten aangespannen rechtszaak is overeengekomen dat 64 procent van de inkomsten terug zal vloeien naar rechthebbenden. In Nederland is van de zijde van de uitgevers bezwaar gemaakt tegen de handelwijze van Google. Deze vraagt namelijk vooraf niets aan uitgevers en auteurs, maar laat het aan hen over om in actie te komen als zij bezwaar hebben tegen digitalisering. Het Nederlands Uitgevers Verbond vindt dat de omgekeerde wereld.

Een ander project van Google dat hier en daar de wenkbrauwen doet fronsen is Streetview. Deze dienst maakt het mogelijk om via internet panoramisch foto’s te bekijken van alle straten in een stad of dorp. In juli 2008 is Google voorzichtig begonnen met fotograferen in Amsterdam en Rotterdam, maar inmiddels is al een groot gedeelte van Nederland ontsloten. Tegen de nieuwe dienst klonken protesten, omdat de mogelijkheid bestaat dat de privacy van personen wordt geschonden. Als reactie op de protesten heeft Google het makkelijker gemaakt om foto’s te verwijderen en worden onder meer gezichten vervaagd, zodat mensen minder makkelijk te herkennen zijn.

Microsoft en Google proberen elkaar de laatste jaren steeds meer te beconcurreren op terreinen waar ieder van hen groot op is geworden. Eerst was het Google dat met zijn eigen webbrowser een poging deed om de dominantie van Microsofts Internet Explorer te doorbreken. Microsoft pareerde die aanval met de introductie van zoekmachine Bing, die de heerschappij van Google moest doorbreken. Vervolgens kondigde Google aan dat het in 2010 met het eigen besturingssysteem Chrome OS zal komen. Vooralsnog hebben ondanks grote marketingcampagnes de pogingen om de concurrentie aan te pakken op haar sterke punten nog niet al te veel opgeleverd.

Deel deze pagina