Trends in 2006

Tijdelijke wet mediaconcentraties

Op 13 juni 2007 is de Tijdelijke wet mediaconcentraties (Twm) in werking getreden. Met de komst van deze wet zijn de beperkingen met betrekking tot crossmedia eigendom versoepeld. Volgens de oude wettelijke bepalingen mochten uitgevers met een marktaandeel van 25 procent of meer op de dagbladenmarkt niet meer dan een derde van een radio- of televisieomroep bezitten. Onder dat regime hadden de grotere uitgevers in de sterk geconcentreerde dagbladenmarkt geen kans zich tot multimediaondernemingen te ontwikkelen. Het Commissariaat voor de Media pleitte daarom in de rapportages van de Mediamonitor voor een gelijk speelveld voor omroepen en dagbladenuitgevers.

Sinds de invoering van de Twm is meer mogelijk, maar nog steeds zijn niet alle concentraties toegestaan. Om opiniemacht te voorkomen is het mediabedrijven niet toegestaan over meer dan 35 procent van de dagbladenmarkt te beschikken. Op de drie markten voor dagbladen, radio en televisie ligt de gezamenlijke grens op 90 procent van de in totaal te verdelen 300 procent. Deze 90 procent is tevens van toepassing op een bedrijf dat slechts op twee markten actief is. De Monitor Mediaconcentraties heeft met de Twm een wettelijke basis gekregen. Artikel 8 van de Twm stelt dat het Commissariaat jaarlijks haar bevindingen ten aanzien van concentraties en financieel-economische omstandigheden op de mediamarkten rapporteert aan het ministerievan OCW. In artikel 9 van dezelfde wet is de taak vastgelegd dat het Commissariaat bij aangekondigde fusies en overnames de Nederlandse Mededingingsautoriteit adviseert over de marktaandelen van de betrokken partijen.

Aangezien zowel het mediagebruik als het medialandschap voortdurend veranderen, is de nieuwe wet van kracht tot 1 januari 2010, tenzij tussentijds besloten wordt deze te verlengen. Voor de periode daarna pleit het Commissariaat voor een model waarmee opiniemacht van media gemeten kan worden, onafhankelijk van het type medium en rekening houdend met de komst van nieuwe media. Uit een oriënterend onderzoek, gepubliceerd in Mediaconcentraties in Beeld 2004, blijkt dat een dergelijk model nauwkeuriger is en beter in staat is grenzen te stellen aan het bereik van nieuwsmedia en het aandeel van het nieuwsmediagebruik. In een tijdperk waarin regelmatig nieuwe mediavormen ontstaan en het mediagebruik sterk verandert, is het belangrijk om door middel van monitoring een grote opiniemacht door concentraties op tijd te signaleren.

Kort na de invoering van de Twm vergrootte Telegraaf Media Groep met instemming van de Mededingingsautoriteit zijn aandeel in de zenders van de Sky Radio Group van 28 naar 85 procent. Tevens verwierf ’s lands grootste dagbladuitgever het recht om zijn aandeel van 20 procent in SBS Broadcasting S.à.r.l. te zijner tijd om te ruilen voor een belang van 12 procent met stemrecht in het nieuw te vormen ProSiebenSat1 Media. Het ligt in de bedoeling van de nieuwe eigenaars, investeringsmaatschappijen Permira en KKR, het eerder door hen overgenomen SBS op te laten gaan in het Duitse omroepbedrijf.

Dichter bij huis staat Koninklijke Wegener op het punt te worden overgenomen door Mecom, de Britse investeerder die zich speciaal richt op regionale dagbladen in Europa. Eerder nam de investeerder de Limburgse dagbladen over van Telegraaf Media Groep. Eind juni 2007 resulteren ook de langdurige gesprekken tussen RTL en Talpa in een voorgenomen overname van het radiostation Radio 538, waarbij John de Mol een aandeel van 26 procent in RTL Nederland krijgt.

Eén van de geplande fusies is voorlopig uitgesteld: nadat de concentratie van PCM Uitgevers en NDC/VBK de uitgevers al bij de NMa was gemeld, zijn de fusiebesprekingen stopgezet.

 

Kernkranten

In het verleden hanteerde de Mediamonitor termen als ‘redactionele concentratie’ en ‘titelconcentratie’ om het verloop van het aantal zelfstandige dagbladtitels over een periode te beschrijven. De vraag was of het aantal zelfstandige dagbladtitels in het verslagjaar was toe- dan wel afgenomen en hoe dit zich verhield tot het aantal uitgevers. Onder een zelfstandige titel werd verstaan: een dagblad of dagbladengroep met een zelfstandige hoofdredacteur. Deze omschrijving leverde een indicatie voor de externe pluriformiteit van de dagbladpers of anders gezegd: de mate waarin sprake was van verscheidenheid in de berichtgeving, uitgaande van het aantal zelfstandige redacties.

Deze begrippen leidden echter in toenemende mate tot indelingsproblemen. Zo kon het gebeuren dat voorheen zelfstandige titels na de samenvoeging onder één nieuwe titel nog enige tijd bleven beschikken over een eigen hoofdredacteur. Een voorbeeld is de Zwolse Courant, die in 2002 opging in de Stentor. De Mediamonitor beschouwde dit als één dagblad, terwijl tijdelijk nog sprake was van meerdere zelfstandige redacties. Een ander voorbeeld is HDC Media, waarbinnen vijf titels stapsgewijs zijn gaan samenwerken onder twee hoofdredacteuren. Haarlems Dagblad, IJmuider Courant, Leidsch Dagblad, Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad werden in 2004 als één titel geteld. De gang van zaken bij HDC Media wijst op een belangrijke, tot nu toe onopgemerkt gebleven constructie die zich afspeelt tussen de lagen ‘uitgever’ en ‘titel’. Het duidelijkst komt dit naar voren bij de recent ontstane fusiekrant AD. De zeven regionale AD-titels beschikken weliswaar over drie eigen hoofdredacteuren, maar die zijn alleen verantwoordelijk voor het regionale nieuws van de titels. De bovenregionale berichtgeving is bij alle titels hetzelfde.

Tegen deze achtergrond heeft de Monitor ervoor gekozen een nieuwe term te introduceren: ‘kernkrant’. Het idee daarvoor is afgeleid van Publizistische Einheit, een Duitse standaardeenheid om dagbladen te tellen (Schütz 2005). Een kernkrant omvat één of meerdere titels met dezelfde dagelijkse bovenregionale berichtgeving over binnen- en buitenland en in sommige gevallen ook economie en sport. Anders dan de bestaande termen fusie- en rompkrant is ‘kernkrant’ ook van toepassing op titels met een eigen, dat wil zeggen niet met een andere krant gedeelde, bovenregionale berichtgeving zoals de Volkskrant of Het Parool. Het zijn vooral regionale dagbladtitels die hun bovenregionale berichtgeving delen met andere regionale titels. Een dergelijk dagblad bestaat dan naast de kernkrant uit een regionaal (vaak titelspecifiek) en/of een lokaal deel (vaak editiespecifiek). Het totaal aantal kernkranten is kleiner of gelijk aan het aantal dagbladtitels.

Hoewel het aantal kernkranten in de praktijk vaak overeen zal komen met het aantal algemene hoofdredacties, staat het begrip ‘kernkrant’ feitelijk los van de wijze waarop de redactie is georganiseerd. De focus ligt op het product. NRC Handelsblad en nrc.next vormen bijvoorbeeld twee kernkranten die door een en dezelfde redactie worden vervaardigd. In Nederland is de laatste jaren een afname van bovenregionale pluriformiteit te bespeuren bij betaalde, overwegend regionale dagbladen. Dit is een gevolg van het verdwijnen van kernkranten. Zo zijn de samenvoegingen van de Limburgse kranten, de HDC- en de AD-titels tot slechts drie kernkranten een teken aan de wand.

Een andere trend is de opkomst van gratis dagbladen. Van de gratis bladen wordt vaak beweerd dat hun algemene berichtgeving niet als zelfstandige berichtgeving te classificeren is, omdat deze vooral uit persberichten zou bestaan. We zien binnen de context van dit rapport af van een beoordeling van de zelfstandigheid van de berichtgeving. Wel is duidelijk dat de bovenregionale berichtgeving van de gratis bladen wel degelijk onderling verschilt en dat dus zonder twijfel gesproken kan worden van kernkranten. Sinds de verschijning van De Pers en DAG zijn er met Metro en Sp!ts in totaal vier gratis kernkranten op de markt. De afgenomen pluriformiteit als gevolg van een dalend aantal kernkranten bij de regionale betaalde dagbladen wordt dus deels gecompenseerd door een toenemende pluriformiteit door de komst van nieuwe kernkranten in de vorm van de landelijke gratis dagbladen.

Huis-aan-huisbladen buiten beschouwing gelaten, zijn Metro en Sp!ts in Nederland in 1999 niet alleen verantwoordelijk voor de introductie van gratis verspreiding, maar ook van het tabloidformaat. In 2003 was het Agrarisch Dagblad de eerste betaalde krant die overstapte naar het tabloidformaat. In 2005 volgden Het Parool, Trouw en de Barneveldse Krant. Het nieuwe AD, nrc.next en het Eindhovens Dagblad maakten de overstap in 2006. In februari 2007 volgden de overige regionale titels van Wegener. Als het marktaandeel van deze titels op basis van de oplage van 2006 wordt berekend, dan verschijnt nu meer dan een op de twee dagbladexemplaren op tabloidformaat. De oplages van de nieuwste gratis dagbladen De Pers en DAG komen daar in 2007 nog bij. In vergelijking met andere landen is de tabloidisering van de dagbladen in Nederland sterk toegenomen en onderscheiden de gratis en de betaalde kranten zich qua formaat steeds minder van elkaar.

 

Crossmediale content

Zowel op het gebied van breedbandinternet als op het gebied van digitale televisie is er sprake van een toename van het aantal gebruikers. Volgens het halfjaarlijkse TNO-onderzoek Marktrapportage elektronische communicatie zijn er in 2006 in Nederland vijf miljoen breedbandinternetaansluitingen, waarvan 1,9 miljoen via de kabel. Digitale televisie, inclusief IPTV, is sterk in opkomst, met bijna een verdubbeling van het aantal aansluitingen ten opzichte van 2005.

De groeiende vraag naar digitale televisie hangt samen met de mogelijkheden die dit medium biedt in vergelijking met de analoge variant. De aanbieders van de traditionele media maken gebruik van de mogelijkheden van digitale televisie door extra zenders en andere uitbreidingen op het bestaande analoge pakket aan te bieden. Een voorbeeld is Uitzendinggemist van de Nederlandse Publieke Omroep. Programma’s die al op een van de publieke zenders getoond zijn, kunnen opnieuw bekeken worden. Deze dienst was in eerste instantie alleen via internet beschikbaar.

De trend om dergelijke internetservices toegankelijk te maken voor het publiek dat nog op de gangbare manier televisie kijkt, is ook te zien bij de digitale themakanalen. De NPO zendt 24 uur per dag programma’s uit op zeventien themakanalen, onder de overkoepelende naam “Nederland4”. Deze kanalen zijn zowel via internet als via de digitale abonnementen van de kabelexploitanten te bekijken.

De prooductie van audiovisueel materiaal is tegenwoordig niet meer uitsluitend voorbehouden aan de gevestigde audiovisuele mediabedrijven die voor het reguliere programma-aanbod zorgen. Ook andere partijen begeven zich op de markt van bewegend beeld. Zo brengt de Volkskrant VK.tv online en kan er op de website van radiozender Slam!FM naar Slam!TV worden gekeken. Andere voorbeelden van een crossmediale verspreiding van gelijksoortige content, zoals nieuws of muziek, zijn het op RTL uitgezonden televisieprogramma Who’s Next van het dagblad nrc.next, het weekblad Opinio via mobiele telefoon of podcast en Televideo op de website van De Telegraaf.

Om een zo breed mogelijk publiek te bereiken worden steeds vaker samenwerkingsverbanden aangegaan tussen uiteenlopende bedrijven. Zo brengen KPN en PCM het multimediale concept DAG op de markt, waarbij het nieuws de lezer of kijker niet alleen in krantvorm, maar ook via internet en mobiele telefoon bereikt. Een ander voorbeeld is de samenwerking tussen Endemol en Libelle. Na de introductie van Libelle Radio werken Endemol en Libelle nu samen aan Libelle WebTV.

Het beschikbaar stellen van informatie via internet, al dan niet tegen betaling, is een ontwikkeling zonder grenzen. Het wereldwijde web is één groot multimediaal platform, dat zowel door particulieren als professionele organisaties gebruikt wordt om informatie in de vorm van audiovisuele bestanden, tekst of fotografie met een breed publiek te delen. Deze ontwikkeling komt de pluriformiteit van het aanbod ten goede. Een schaduwzijde is echter dat het toenemende aanbod een sterk versnipperde markt in de hand werkt door het ontbreken van gemeenschappelijke kennis en onduidelijkheid over de afzender van de informatie.

 

Investeringsmaatschappijen

Private equity financiers en hedge funds komen steeds vaker in het nieuws. Deze investeerders zijn in toenemende mate geïnteresseerd in commerciële omroepen, dagbladuitgeverijen en andere aan de communicatiesector verwante bedrijven. Investeringsmaatschappijen lenen vaak particulier geld bij onder meer pensioenfondsen en verzekeraars en gebruiken dit bijvoorbeeld om te beleggen in niet-beursgenoteerde ondernemingen. Ook komt het voor dat zij juist (bedrijfsonderdelen van) beursgenoteerde ondernemingen opkopen, om deze vervolgens van de beurs te halen. Het doel hiervan is een hoog rendement bij doorverkoop of herplaatsing aan de beurs. Deze praktijk gaat dikwijls gepaard met het opknippen van bedrijfsonderdelen en het schrappen van banen, maar het komt ook voor dat de overname van soortgelijke bedrijven of bedrijfsonderdelen juist leidt tot expansie en zelfs tot banengroei.

Vanwege hun werkwijze worden deze investeringsmaatschappijen ook wel “sprinkhanen” genoemd. Deze veelzeggende term is afkomstig van de voormalige SPD-voorzitter, thans vicepremier in het kabinet Merkel, Franz Müntefering en werd door hem in mei 2005 gebruikt om de handelwijze van grote investeringsmaatschappijen te kritiseren. Voormalig Minister van Economische Zaken Joop Wijn uitte zich een jaar later tegenover het NOS-journaal in soortgelijke bewoordingen: ze kopen even een bedrijf op, dat ze vervolgens als een zwerm sprinkhanen kaalvreten.

Inmiddels hebben investeringsmaatschappijen zich een plek verworven op het merendeel van de Nederlandse media- en daaraan verwante markten. Het bekendste voorbeeld was tot maart van dit jaar PCM Uitgevers. Medio 2004 werd het Britse APAX Partners meerderheidsaandeelhouder bij deze uitgever. In november 2003 was reeds aangekondigd dat de voornaamste aandeelhouder, Stichting Democratie en Media (SDM), met de raad van bestuur van PCM op zoek zou gaan naar een strategische of financiële aandeelhouder om de strategie van basisverbreding voor PCM invulling te geven. De keuze valt op APAX, een private equity firm die investeert in diverse sectoren, waaronder media. APAX krijgt een belang van 47,5 procent tegen een zeggenschap van 52,5 procent. De ideële SDM levert ruim 15 procent van haar belang in, wat haar naar eigen zeggen in staat stelt “actiever op te treden in het nastreven van de statutaire doelstellingen, namelijk het streven naar pluriforme pers”.

Vanwege een meningsverschil tussen SDM en APAX wordt in maart 2007 het belang van APAX echter weer teruggekocht voor 130 miljoen euro. De partijen kunnen het niet eens worden over de te volgen strategie: SDM wil basisverbreding, terwijl APAX PCM wil opknippen en de divisies boeken en educatieve uitgaven wil verkopen. APAX heeft met de verkoop in bijna drie jaar een aanzienlijk rendement weten te behalen, onder meer doordat de investeerder PCM zelf de leningen voor de overname liet financieren. Het eigen vermogen van de uitgever is behoorlijk geslonken, de schuld aanzienlijk toegenomen.

PCM is niet het eerste mediabedrijf dat met ‘durfkapitalisten’ – een verzamelterm in de media voor alles variërend van private equity tot hedge funds – te maken heeft gekregen. Al sinds 1997 participeert HAL Investments in Het Financieele Dagblad, dat met de overname van BNR Nieuwsradio in 2003 uitgroeide tot de eerste multimediale uitgever. HAL beschikt momenteel samen met SWF Holding over ongeveer 80 procent in de FD Mediagroep.

Ook op het gebied van commerciële omroep, kabeldistributie en nieuwsproductie spelen investeringsmaatschappijen een rol van betekenis. Zo is Nederlands voornaamste persbureau ANP sinds 2004 voor 60 procent in handen van NPM Capital en Halder, een belang dat in juni 2007 werd uitgebreid naar bijna 90 procent. In de loop van 2006 kregen Warburg Pincus en Cinven toestemming van de Europese Commissie om de op een na grootste speler op de Nederlandse kabelmarkt Essent Kabelcom (thans @Home) samen te voegen met de eerder overgenomen nummers drie (Casema) en vier (Multikabel). Private equity financiers Permira en KKR namen eind 2006 ProSiebenSat1 over en kregen medio 2007 eveneens groen licht om het eerder overgenomen SBS Broadcasting S.à.r.l. hierin op te laten gaan. Hiermee is het ontstaan van Europa’s op een na grootste commerciële omroepbedrijf na Bertelsmann’s RTL een feit.

Een relatieve nieuwkomer op de Nederlandse markt is Mecom, de investeringsmaatschappij van de Brit David Montgomery. Mecom wil uitgroeien tot een pan-Europese investeringsmaatschappij voor regionale dagbladen en staat op het punt Koninklijke Wegener over te nemen. De rol van investeringsmaatschappijen als financiers van bedrijven die zich bezighouden met de nieuwsvoorziening verdient blijvende aandacht.

Deel deze pagina