Jos de Haan (2013)

Mediawijze burgers gezocht: over veranderingen in mediagebruik

Veranderingen

De verspreiding van internet onder de Nederlandse bevolking heeft ongeveer een kwart eeuw in beslag genomen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw verkende een academische voorhoede de mogelijkheden van het nieuwe medium. Anno 2012 had 96 procent van de Nederlanders toegang tot internet en daarmee behoort Nederland tot de koplopers in de wereld. Toegang betekende aanvankelijk dat tamelijk logge desktop computers via kabels en met piepende inbelverbindingen verbonden waren aan het Net. Tegenwoordig zijn velen via elegante, draagbare apparatuur als smartphone of tablet altijd en overal verbonden. Eind 2012 had ruim de helft (61 procent) van de Nederlanders hun oude mobiele telefoon ingeruild voor een smartphone. Nederlanders beschikken over steeds meer gadgets en die stroom is nog lang niet opgedroogd getuige de recente introductie van de iPad mini. In een periode van groeiende variëteit in apparatuur van verschillende schermgrootte is ook de diversiteit aan toepassingen snel toegenomen. We kunnen dus steeds meer met die uitdijende mediauitrusting.

Internet en de digitalisering hebben ook bij de massamedia tot ingrijpende veranderingen geleid. Via internet is inmiddels elke radiozender te beluisteren en kranten hebben een eigen website met aanvullende informatie, archieven en mogelijkheden voor lezers om te reageren. Op internet is echter veel meer concurrentie van andere partijen die ook muziek, nieuws en amusement aanbieden. Ook het televisieaanbod is door internet sterk uitgebreid. Er kwamen digitale (thema)kanalen bij en via uitzending gemist kan er op een gewenst moment gekeken worden. De mogelijkheden om te lezen, luisteren en kijken zijn verder uitgebreid door de mobiele media. Via laptop, smartphone en tablet doen we dat ook op steeds meer plaatsen.

De convergentie van massamedia, telecommunicatie en datacommunicatie had aanvankelijk vooral betrekking op apparatuur. Inmiddels is de smartphone een foto- en videocamera, radio-ontvanger, muziekspeler, nieuwsdienst en je kan er nog mee bellen ook. De laatste jaren gaat convergentie echter steeds vaker over content die via verschillende platforms verspreid raakt, de samenwerking tussen verschillende mediabedrijven en een wispelturig publiek dat interesses volgt ongeacht de bron en het mediakanaal. Henry Jenkins (2006) heeft met zijn boek Convergence Culture veel invloed gehad op de beschrijving van deze ontwikkelingen in het medialandschap. Volgens hem ontstaat deze cultuur vanuit de interactie tussen mediabedrijven die zoveel mogelijk van hun programma’s en reclames via verschillende platforms willen verkopen en een publiek dat op velerlei wijze haar interesses kenbaar wil maken. Hij is ervan overtuigd dat de consumenten met hun mediavoorkeuren bijdragen aan de veranderingen in het medialandschap. Hij spreekt over “the desires of consumers to have the media they want where they want it, when they want it, and in the format they want….”. Producenten van content spelen hierop in met pogingen de gebruiker zo goed mogelijk te bereiken door producten en diensten via verschillende mediakanalen te verspreiden en per kanaal (combinaties van) tekst, beeld en geluid aan te bieden. Door deze veranderingen is het medialandschap uitgebreider en gevarieerder dan ooit te voren. Internet maakt steeds meer informatie en vormen van vermaak uit een groeiend aantal verschillende bronnen beschikbaar.

Dit stuk gaat nader in op de verspreiding van internettoegang en de digitalisering van informatie, de opkomst van smartphones, tablets en social media, de toename van user generated content en de convergentie van media, om te besluiten met de groeiende rol van mediavaardigheden van de gebruiker.

 

Toegang

De snelle groei van het internetverkeer doet een sterk beroep op de ontwikkeling van de infrastructuur. Dat geldt ook voor de mobiele netwerken nu het mobiele dataverkeer aan een sterke opmars bezig is. Mede door de compacte geografische kenmerken is de infrastructuur van vaste verbindingen in Nederland goed verzorgd. Nederland had in 2011 het hoogste aantal breedbandaansluitingen per 100 inwoners van de OESO-landen. In de periode 2005- 2011 is het percentage van de Nederlandse huishoudens met een internetaansluiting gestegen van 78 naar 94 procent. In laatstgenoemde jaar had 83 procent van de huishoudens een breedbandinternetaansluiting. Al geruime tijd loopt Nederland mondiaal hierdoor voorop, gevolgd door de Scandinavische landen. Vrijwel overal in Nederland is voldoende signaal voor mobiel internet met hoge snelheid. Alleen in de zogenoemde buitengebieden laat snel internet nog te wensen over.

Een van de speerpunten van het ICT-beleid van Eurocommissaris Neelie Kroes is een breedbandvoorziening voor ieder huishouden. Haar motivatie is om economische groei te bestendigen, maar de vraag is inmiddels of het niet een basisrecht van iedere burger is om aangeslotente zijn. Erg veel zorgen lijkt Kroes zich om Nederland niet te hoeven maken. Volgens de vereniging van kabelbedrijven kan 95 procent van alle huishoudens vandaag al internetten met een snelheid van 100 Mbps of meer. Onderzoek van TNO bracht aan het licht dat er voldoende mogelijkheden zijn om de technische capaciteit van de netwerken te vergroten en dat de bestaande kabelnetwerken tot ver na 2020 kunnen blijven voldoen aan de vraag naar supersnel internet, mits de kabelbedrijven afdoende blijven investeren in hun netwerken. Inmiddels meldde Reggefiber, de grootste aanbieder van glasvezelnetwerken in Nederland, dat in oktober 2012 de mijlpaal van een miljoen aangesloten huishoudens is bereikt en verwacht het dat het aantal huishoudens met een glasvezelaansluiting zal oplopen tot ruim 3 miljoen eind 2016. Naast de vaste en mobiele netwerken neemt ook het aantal plaatsen met wifi-toegang snel toe. Steeds meer gemeenten, onderwijsinstellingen en bedrijven bieden langs deze weg gratis toegang tot internet.

De druk op de infrastructuur neemt niet alleen toe omdat steeds meer Nederlanders internet gebruiken maar ook omdat zij dat steeds frequenter doen. Het percentage internetgebruikers dat dagelijks of bijna iedere dag online gaat, steeg van 68 procent in 2005 naar 86 procent in 2011.[1] Meer dan de helft van de internetgebruikers is inmiddels ook mobiel online. Volgens het rapport ‘Dutch Smartphone User 2012-Q2’ groeide het aandeel Nederlandse consumenten met een smartphone van 42 procent in 2011 naar 58 procent in 2012. De markt van apparatuur wordt gedomineerd door Samsung en Apple en in Nederland is net als in veel andere landen Googles besturingssysteem Android aan de winnende hand.

Bij de verspreiding van internet, mobiele apparatuur en het gebruik van diverse toepassingen is een gemeenschappelijk patroon te herkennen. Steeds lopen de jongeren en de hoogopgeleiden voorop en volgen de ouderen en laagopgeleiden op enige afstand. Deze fasering in aanschaf en gebruik is wel aangeduid als de digitale kloof. Die term suggereert blijvende ongelijkheid, maar steeds gaat het echter om een tijdelijk verschil in een proces van voorlopers en achterblijvers.

 

Gedrukte media

Internet en digitalisering zorgen voor veel turbulentie op de markt van gedrukte media. Met een geleidelijk dalend bereik van gedrukte dagbladen (al wat langer), tijdschriften en boeken (sinds kort, afgemeten aan de boekverkoop) richten veel uitgevers hun aandacht op de ontwikkelingen van digitale producten als nieuwswebsites en digitale edities. De aandacht gaat daarbij in het bijzonder uit naar mobiele platforms, zoals smartphones, tablets en e-readers. Door deze ontwikkelingen krijgt de gebruiker meer keuze om zelf het informatiemedium te bepalen. Steeds meer lezers weten de uitgaven op deze nieuwe platformen te vinden. Volgens Cebuco las 34,7 procent van alle Nederlanders van 13 jaar en ouder in de eerste helft van 2011 wel eens de krant op de computer. Omgerekend zijn dat 4,8 miljoen nieuwsconsumenten. Daarmee vergeleken is het gebruik van mobiele platforms nog bescheiden te noemen. Op een mobiele telefoon kwam het bereik van kranten niet verder dan 9,1 procent, terwijl ruim 4 procent een tablet gebruikte en het lezen van een krant op een digitale e-readernog beperkter van omvang was. Dat neemt niet weg dat het bereik van het lezen op digitale platformen snel aan het groeien is. Mobiele telefoons en smartphones zijn een populair platform voor jongere doelgroepen (13-34 jaar). Kranten op tablet worden vooral veel gelezen door de groep 35-49 jaar.

Met de uitbreiding door de digitale kanalen is het aantal alternatieven om nieuws te lezen voor consumenten enorm toegenomen. Waren de krant en het journaal op televisie en radio nog niet zo lang geleden de voornaamste nieuwsbronnen, tegenwoordig vormt internet een serieus alternatief voor nieuwsgaring. Op internet kunnen we niet alleen digitale kranten lezen, nieuwsuitzendingen bekijken of beluisteren, maar op weblogs kunnen ooggetuigen ook hun verhaal doen en door de groei van digitale (foto)camera’s kan een gebeurtenis binnen een mum van tijd getoond worden in diverse media. Over kranten wordt nu gesproken  als nieuwsmerken die meerdere verschijningsvormen kennen. Door de digitale mogelijkheden zijn ook andere nieuwsaanbieders op de markt verschenen. Nu.nl is in Nederland de bekendste en meest geraadpleegde nieuwssite en Microsoft heeft een plan ontwikkeld om miljarden te investeren in een eigen nieuwsdienst. Ook spelen de sociale netwerken inmiddels een rol bij de distributie van nieuws. Twitter, Facebook en Google+ lenen zich er goed voor om nieuws te verspreiden, niet alleen vanuit de redactionele newsrooms. Steeds vaker zijn ook burgers actief in het melding maken van gebeurtenissen. Het onderscheid tussen massacommunicatie en interpersoonlijke communicatie wordt alsmaar diffuser.

Volgens de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB) was 2008 een topjaar in de boekenverkoop en daalt sindsdien het aantal verkochte boeken in Nederland. Werden er in 2008 nog 51 miljoen papieren boeken verkocht, drie jaar later waren dat er nog maar 46 miljoen. Die daling wordt slechts ten dele gecompenseerd door de verkoop van digitale boeken. Uiteraard steeg de omzet van e-boeken, maar in 2011 werden er nog geen miljoen verkocht. Om precies te zijn 771.641 exemplaren (http://www.kvb.nl/feiten-en-cijfers/kerncijfers). Ook in de boekenbranche wordt verwacht dat het aandeel van de digitale producten zal stijgen. Die hoop is vooral gebaseerd op de snelle verspreiding van e-readers en tablets; of het leesgedrag zich min of meer automatisch naar de digitale mogelijkheden gaat voegen en hoe snel, is nog maar de vraag. Overigens biedt de verkoop van e-boeken een beperkt zicht op het digitaal lezen van boeken, aangezien er ook illegaal wordt gedownload en allerlei diensten het online uitwisselen van e-boeken stimuleren. Maar ja, ook de verkoop van papieren boeken leverde een beperkt zicht op het leesgedrag.

 

Radio

Nieuwe media/apparaten zorgen ervoor dat de populariteit van radio groeit. Luisteraars weten via het internet en mobiele apparaten radio namelijk nog makkelijker te vinden. De luistertijd is toegenomen tot gemiddeld drie uur en twintig minuten per dag, zo blijkt uit het RAB Platformonderzoek 2011. De traditionele platformen zoals de radio/stereo-installatie, de autoradio en de wekkerradio vormen nog altijd de basis van het luisteren naar radio, maar de groei zit overduidelijk bij de nieuwe, digitale platformen (digitale set-top box, laptop, iPod/mp3-speler en de mobiele telefoons/smartphones). In de periode tussen 2005 en 2010 is de beluistering via internet gegroeid van 19 procent naar 34 procent van de Nederlandse bevolking. Ook hier weer komt het groeiend gebruik van digitale kanalen vooral door jongeren, terwijl vijftigplussers juist trouw blijven aan traditionele platformen. Uit hetzelfde rapport blijkt dat de groei in de luistertijd niet alleen door de verruiming van de digitale mogelijkheden komt maar ook door de investeringen van radiostations in betere programmering.

 

Televisie

Ook de digitale televisie is aan een snelle opmars bezig. In de eerste helft van 2012 had ruim driekwart van de Nederlandse huishoudens de beschikking over digitale televisie. Uit de  Media Standaard Survey (MSS) van SKO, NLO, STIR en NOM [2] blijkt dat 76 procent van de huishoudensop één of meer toestellen digitaal televisie kan kijken. Meestal gebeurt dat via de kabel (50 procent van de huishoudens), minder vaak via Digitenne (12 procent), via een schotel (6 procent) of via glasvezel (4 procent). Inmiddels is live tv ook op smartphones en tablets te ontvangen. Verschillende aanbieders maken het mogelijk om in en om het huis tv-zenders en andere interactieve diensten te gebruiken. Mobiele apparaten worden niet alleen gebruikt voor de ontvangst van televisie; hun belang voor de huidige tv-ervaring is veel groter. Kijkers ontdekken massaal het gebruik ervan als tweede scherm. Volgens het TV & Video Consumer Trend Report 2012 gebruikt zelfs 67 procent van de respondenten tablets, smartphones of laptops bij het tv kijken.

De digitale mogelijkheden zorgen er ook voor dat televisie- en radioaanbod flink wordt uitgebreid. Het ministerie van OCW heeft inmiddels plannen gemaakt om de Mediawet 2008 te wijzigen en erin op te nemen dat digitale pakketten van tv-aanbieders uit minimaal dertig zenders moeten bestaan om alle kijkers toegang te bieden tot een pluriform zenderpakket. Boven die dertig zenders mogen aanbieders pluspakketten samenstellen. Een analoog pakket moet minimaal 15 zenders bevatten, waarvan de invulling, afgezien van de verplichte zenders (must carry), vrij is.

Door de integratie van televisie en internet is er op het televisiescherm nog veel meer mogelijk. Televisiefabrikanten werken aan platforms voor het zogenoemde smart tv of connected tv. Ook grote internetbedrijven als Google en Apple zijn begonnen aan de slag om de tv-kijker, en krijgen concurrentie van Microsoft en Amazon in hun strijd om de televisiemarkt. Televisiefabrikanten en aanbieders van programma’s zijn soms partners en soms concurrenten van de internetbedrijven. Door samenwerking met kabelmaatschappijen kunnen zij ook live-televisie aanbieden. Medio 2012 lanceerden Google en Sony samen Google TV in Nederland, een voor tv aangepaste versie van Android. Met Google TV kunnen kijkers films, tv-series en muziek kopen of huren, maar ook en tegelijkertijd browsen op internet, YouTube-filmpjes bekijken en via apps uit Googles app-winkel veel extra zien en doen. Apple TV maakt content uit de iTunes-bibliotheek toegankelijk via de televisie. Technisch gaat dit meestal via een set-top box, maar niet uitgesloten is dat de internetbedrijven in de toekomst met eigen smart-tv-toestellen komen. Hoe de kaarten uiteindelijk zullen worden verdeeld, zal grotendeels afhangen van het gebruiksgemak van de verscheidene diensten en de hoeveelheid content die via de platformen beschikbaar komt. Door complexiteit en beperkt aanbod is de opkomst van smart-tv tot op heden nog maar beperkt van de grond gekomen. Uit onderzoek van Sony blijkt dat het merendeel van de 1,5 miljoen mensen die op dit moment in Nederland al een smart-tv hebben, veel meer verwachten van de dienst dan die in de praktijk waarmaakt. Google TV werd in 2010 in de Verenigde Staten geen doorslaand succes. De hardware zou te duur zijn en bovendien kreeg Google TV de kritiek dat het platform nodeloos complex was. Het bedrijf zegt de ervaringen van toen te hebben gebruikt om de dienst te verbeteren. Het gebruiksgemak zou zijn vergroot en er zouden meer apps beschikbaar zijn die speciaal voor gebruik op een groot televisiescherm zijn geoptimaliseerd.

Vooralsnog is het zoeken naar een juiste combinatie van software en hardware. Apple zou volgens geruchten aan een eigen tv werken. Als die er komt, heeft het op het gebied van smart-tv, net als op de smartphonemarkt, zowel de hardware als de software in eigen handen. Google, dat met Android op de smartphonemarkt dominant is op softwaregebied, lijkt voor televisies in eerste instantie ook op de softwarekant te mikken.

Smart-tv heeft behoefte aan aantrekkelijke content. In het verleden bleken sportevenementen vaak een stimulans om nieuwe diensten te presenteren. Voor de smart-tv ontwikkelde de NOS een tv-applicatie voor de Olympische Spelen. De app toonde maximaal twaalf verschillende feeds die door de BBC vanuit Londen werden verzonden, zonder commentaar. Eerder verspreidde de omroep tijdens het EK voetbal en de Tour de France extra materiaal via internet en via smartphone/tablet-apps. De tv komt daar nu bij. De NOS Sport-app voor smart-tv’s trok gemiddeld 5.500 unieke bezoekers per dag met een piek in de bezoeken in de weekenden. Ook de betaalzender Sport1 heeft een applicatie voor de Apple iPad-tablet gelanceerd waarmee men naast het laatste sportnieuws (gratis) ook live naar Sport1-sportwedstrijden (betaald) kan kijken. Mogelijk zijn dit de lokkers voor een breder gebruik van smart-tv.

 

Sociale media

Een sterk in het oog springende ontwikkeling is de opkomst van sociale media. In een periode van tien jaar hebben de meeste Nederlanders een of meerdere profielen aangemaakt. Aanvankelijk verwierf Hyves grote populariteit maar in de afgelopen jaren heeft dit Nederlandse bedrijf het moeten afleggen tegen de grote internationale speler Facebook. Vooral jongeren zijn actieve gebruikers en geven allerlei informatie over zichzelf en zaken die zij boeiend vinden als uitdrukking van eigen identiteit en als basis voor interactie met anderen.

Sociale media gaan steeds meer een rol spelen bij het televisie kijken. Volgens het TV & Video Consumer Trend Report 2012 steeg het percentage consumenten dat wekelijks sociale media gebruikt tijdens het televisie kijken van 44 procent in 2011 naar 62 procent in 2012. Daarbij zijn vrouwen iets actiever dan mannen. Een kwart van de consumenten laat anderen via sociale media weten wat ze aan het kijken zijn. De belangrijkste redenen om sociale media te gebruiken tijdens het televisie kijken, zijn het gevoel samen met anderen te kijken, het uitwisselen van meningen en het zoeken van aanvullende informatie.

Ook bij het online lezen van boeken raken we via sociale media meer met elkaar verbonden. Tussen het lezen door ben je dan in gesprek met andere lezers. Was lezen eens een solitaire bezigheid, door de sociale media ontwikkelt het zich in de richting van een sociale activiteit.Zo heeft de Nederlandse Twitterleesclub @Leestweeps met LeesTweeps-avonden en andere activiteiten al enige bekendheid verworven, even als Bas Heijne met zijn eigen Twitter Leesclub #TwitLit. Interactie via sociale media heeft ook een schaduwkant. Volgens Nicolas Carr kunnen steeds minder mensen, vooral jongeren, de concentratie opbrengen om boeken van papier te lezen.[3] Al die online informatie zou volgens hem zelfs je concentratievermogen aantasten en in het cultuurpessimistisch koor zingt hij mee over de teloorgang van onze cultuur. Aan de andere kant kan online interactie ook een stimulans zijn om meer te lezen en om beter geïnformeerd te zijn over wat te lezen. De balans in de aanspraken van utopisten en dystopisten is nog lang niet definitief opgemaakt.

Sociale media zijn uitgegroeid tot belangrijke kanalen om informatie te verspreiden. Ook op andere platforms zijn gebruikers hiermee actief. Ze doen dat weliswaar in mindere mate, maar via blogs, het delen van filmpjes en foto’s of het online plaatsen van documenten op bijvoorbeeld Google Docs gebeurt er online heel veel. Door al deze zogenoemde user generated content heeft de gebruiker een stem gekregen in het medialandschap, en ‘hij’ werd

in 2006 door Time Magazine zelfs uitgeroepen tot persoon van het jaar. Mediagebruikers beperken zich al lang niet meer tot het ontvangen van media-inhoud. Ze zijn ook steeds meer zelf actief als producent van informatie. In brede kring wordt aangenomen dat dit prosumerschap de komende jaren nog flink zal groeien. Toch zijn veel minder Nederlanders productief op internet dan consumptief [4] en wijzen recente CBS-cijfers (Statline: ICT gebruik van personen) in de richting van een stagnatie van de productieve capaciteiten van Nederlanders. Of alle internetgebruikers ook actieve gebruikers worden, staat daarmee allerminst vast. 

Convergentie

In het verleden waren de werelden van printmedia, radio en televisie aangenaam overzichtelijk gescheiden. Door de opmars van internet en de overgang naar digitale productie is dat niet langer het geval. Sinds het midden van de jaren negentig van de twintigste eeuw zoeken mediaorganisaties naar een antwoord op de uitdagingen van convergentie en crossmedialiteit. Convergentie heeft niet alleen gevolgen voor de ontwikkeling van apparatuur, maar ook voor de verspreiding van content en voor de structuur van verscheidene mediabranches. Zo is de scheidslijn tussen mediatechnologieën op het gebied van print, broadcasting, communicatie en informatica vervaagd. Met als gevolg dat mediabranches zich met elkaar vermengen en grote mediaconglomeraties opduiken. Vrijwel alle mediabedrijven zijn inmiddels actief op meerdere platforms. In de traditionele mediabedrijven vormde een (multimediale) website aanvankelijk een verlengstuk van een krant, tijdschrift, televisie- en/of radiostation, maar steeds meer strekken de activiteiten zich uit over meerdere media met een volwaardig aanbod. Redacties van voorheen gescheiden media moeten nu samenwerken, waarbij een geïntegreerde redactie en volledige convergentie tussen mediaplatforms het hoogst haalbare einddoel lijkt te zijn. Tameling en Broersma zien ook een tegenbeweging.[5] Anders dan de wereldwijde trend van convergentie en multimediale journalistiek beschrijven zij hoe de Volkskrant besloot de print- en online redactie weer te scheiden. Zij spreken hier dan ook over de-convergentie. Journalisten die zich met print bezighouden hoeven niet voor online platforms te schrijven. De crossmediale strategie van een geïntegreerde redactie die meerdere platforms bedient is hier dus losgelaten.Gesegmenteerde interne organisatie betekent echter nog niet dat de Volkskrant als mediabedrijf zich niet crossmediaal presenteert. Crossmedialiteit verwijst naar de inspanningen van mediabedrijven om de consument zo goed mogelijk te bereiken door verschillende mediakanalen naast elkaar te gebruiken. Ieder kanaal heeft specifieke eigenschappen en verspreiding van boodschappen over meerdere kanalen kan ervoor zorgen dat die boodschappen elkaar aanvullen en versterken.Convergentie gaat nog verder dan de integratie van voorheen gescheiden platforms. Ook de scheiding tussen producent en consument wordt opgeheven. Door de interactiviteit zijn mediabedrijven niet alleen maar bezig met het produceren en verspreiden van informatie, maar stellen zij ook van alles in het werk om reacties en bijdragen van gebruikers aan te trekken. Jenkins noemt het versterken van de publieksparticipatie zelfs een centraal kenmerk van de convergence culture.[6] De user generated content wordt daarmee een belangrijk bestanddeel van het functioneren van mediaorganisaties en reflecteert de veranderde positie van wat we voorheen de consument noemden.

Personalisatie

Consumenten krijgen het door de groeiende mogelijkheden wel moeilijker om hun weg te vinden. Met digitale apparatuur vrijwel altijd binnen handbereik leven ze steeds meer ‘in het web’. Online en offline vloeien in elkaar over. Consumenten zijn online omringd door meer nieuws, muziek, televisieprogramma’s, films en filmpjes (YouTube) dan ooit tevoren. Steeds minder zal die content door redacties zijn voorgeselecteerd. Die veelheid van informatie is er altijd en wie alles wil verwerken zal klagen over information overload. Anderen klagen over gebrek aan kwaliteit, met de überklager Andrew Keen [7] voorop. Het is onmogelijk geworden om alles te verwerken en het is eveneens onmogelijk om alles te controleren op juistheid, belangen of beeldkwaliteit. Voor de gebruiker gaat het om selectie en het is aannemelijk dat de sociale netwerken waarin we leven daarbij een belangrijkere rol gaan spelen. Wie je vrienden zijn zal meer bepalen wat je leest en waar je naar kijkt en luistert dan uitgevers en redacties dat doen. Online netwerken versterken die trend. Het embedden van muziek, nieuwsberichten en filmpjes geeft vrienden in de sociale media een directe link naar mediacontent. Bepaalde media-inhoud zal hierdoor gaan rondzingen in bepaalde sociale kringen, om soms een buzz en soms een hype te creëren, maar veel vaker een beperkte verspreiding te kennen. Media-ervaringen zullen echter sociale ervaringen blijven, zoals de redenen om sociale media bij traditionele media te gebruiken al laten zien. Men wil nog steeds het gevoel hebben samen ergens naar te kijken en de mogelijkheid hebben om er over te praten.

Niet alleen onze vrienden geven richting, ook de technologie helpt een handje. Op websites zijn allerlei algoritmen behulpzaam bij het aanbieden van informatie die een gebruiker zou willen zien gebaseerd op informatie over de gebruiker. Het boek Voorgeprogrammeerd van het Rathenau Instituut beschrijft die dwingende en vaak onzichtbare werking van software.[8] Vanuit verborgen belangen stuurt die software het denken en handelen van internetgebruikers.Zo kan op basis van locatiegegevens informatie verstrekt worden over voorzieningen in de buurt en kunnen op basis van zoekgeschiedenis gericht verwijzingen worden aangeboden. Op deze manier personaliseert Google de zoekresultaten en Facebook het aangeboden nieuws. Amazon biedt boeken aan die in onze belangstellingssfeer liggen op basis van geaggregeerde belangstelling en straks kan een app kijkers vertellen welke tvshows naar hun smaak zijn. Dat is allemaal handig en soms verleidelijk, maar heeft ook een bedenkelijke kant. Gebruikers krijgen minder informatie aangeboden die niet aansluit bij eigen standpunten. Tim Berners-Lee sprak al over sites als een “closed silo of content” met het risico dat het web gefragmenteerd raakt. Anderen spreken over een soort Hotel Californiaeffect (you can check-out any time you like, but you can never leave) bij sociale netwerksites waar we met al die aantrekkelijke informatie worden ingesloten.[9] Hierdoor komen gebruikers op internet terecht in een culturele en ideologische bubble, althans zo wil Eli Pariser ons doen geloven in zijn boek The filter bubble.[10] De gebruiker wordt in zijn eigen comfort zone niet meer verstoord door conflicterende gezichtspunten en afgesloten van nieuwe ideeën. De kans op toevallige ontdekkingen wordt verkleind en die serendipiteit werd bij oude media min of meer georganiseerd aangeboden door verschillende krantenartikelen naast elkaar of sandwichformules op televisie. Het is vooralsnog onduidelijk in welke mate gepersonaliseerde filtering voorkomt en hoe de balans tussen voor- en nadelen uitslaat. Inmiddels reageert de industrie met gepaste maatregelen. Google, toch vaak het zwarte schaap bij Pariser, heeft al snel een opt-out functie ingebouwd. Wie niet wil dat zoekresultaten beïnvloed worden door eigen zoekgeschiedenis kan deze aanklikken en zo ook gepersonaliseerde en niet-gepersonaliseerde resultaten vergelijken.

Mediawijsheid

Nu vrijwel alle Nederlanders thuis toegang hebben tot internet, is niet langer de vraag wie er online zijn en wie niet, maar wie van welke mogelijkheden gebruik maakt en wie niet. Dat geldt ook voor het gebruik van digitale media. In verschillende onderzoeken wordt nu in kaart gebracht in hoeverre het lezen van gedrukte media, luisteren naar radio en kijken naar televisie via digitale kanalen gebeurt. Dit stuk heeft laten zien dat de ontwikkelingen in het mediagebruik breder zijn dan de migratie van analoog naar digitaal. De opkomst van sociale media en user generated content heeft de mediaconsument ertoe verleid zelf meer een producent te worden. Waar mediagebruik vroeger betrekking had op massamedia, is het door de convergentie verweven geraakt met interpersoonlijke communicatie. Apps, links en embedding hebben de toegang tot media ook anders gemaakt, persoonlijker en mogelijk selectiever. In dit nieuwe medialandschap moeten gebruikers opnieuw hun weg zien te vinden. Veel Nederlanders denken dat dit inmiddels wel lukt, maar een groot deel van de Nederlanders kijkt nog voorzichtig om zich heen. Waar voorheen gesproken werd over een digitale kloof in internettoegang komt de focus nu te liggen op verschillen in digitale vaardigheden van mediagebruikers.

De verspreiding van toegang kende een inmiddels bekend diffusiepatroon van volgers en achterblijvers. Jongeren, hoogopgeleiden, werkenden en autochtonen liepen voorop en ouderen, laagopgeleiden, niet-werkenden en allochtonen volgden, soms op grote afstand zoals de 65-plussers.[11] De diffusie van vaardigheden volgt dit patroon, zeker waar het gaat om de meest basale bediening van de apparatuur, ook wel knoppenkunde genoemd. Maar als het gaat om vaardigheden om media-inhoud te begrijpen of om het toe te passen in eigen leven, blijken veel Nederlanders toch minder vaardig dan gedacht. Jongeren mogen dan in de bediening vaak handiger zijn dan ouderen, toch kost het hen meer moeite om media-inhoud te begrijpen en te beoordelen.[12] Ook de communicatievaardigheden worden door de opkomst van sociale media binnen dit domein van digitale vaardigheden getrokken. Laatstgenoemde vaardigheden mogen dan een voorwaarde zijn om digitale apparatuur goed te bedienen, om optimaal van media-inhoud gebruik te kunnen maken is aansluiting bij een bredere set vaardigheden nodig. Het gaat dan om informatievaardigheden, of breder nog media geletterdheid, in Nederland vaak aangeduid als mediawijsheid. Toch is er nog een kleine groep ‘digibeten’ die niet of nauwelijks gebruik maakt van internet uit computervrees, desinteresse of onkunde. Voor deze groep is een minimum aan zelfredzaamheid, zowel in termen van digitale vaardigheden als mediawijsheid, noodzakelijk om goed te kunnen functioneren in een informatiesamenleving. De argumentatie daarvoor kan variëren van persoonlijke behoeftebevrediging tot het volwaardig laten functioneren van het democratisch bestel. Een mediawijze bevolking is meer dan ooit van belang nu er meer te lezen, luisteren en kijken valt dan ooit te voren.

 

Jos de Haan is bijzonder hoogleraar ICT, Cultuur en Kennissamenleving aan de Erasmus Universiteit. Daarnaast is hij werkzaam bij de onderzoeksgroep Tijd, Media & Cultuur van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

De auteur wil graag Frank Huysmans bedanken voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit stuk.

 

1. CBS (2012). ICT, Kennis en Economie. Den Haag/Heerlen: CBS.
2. Stichting KijkOnderzoek, Nationaal Luisteronderzoek, Stichting Internet Reclame en Nationaal Onderzoek Multimedia
3. Carr, Nicholas (2010). The Shallows: What The Internet Is Doing to Our Brains, Londen: Atlantic Books Ltd.
4. Sonck, Nathalie & Jos de Haan (2012). De virtuele kunstkar; cultuurdeelname via oude en nieuwe media. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
5. Tameling, Klaske & Marcel Broersma (2012). Crossmediale dilemma’s. De zoektocht naar convergentie bij Nederlandse nieuwsmedia. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap. Vol. 40 (3) p.231-250.
6. Jenkins, Henry (2006). Convergence Culture. Where old and new media collide. New York: New York University Press.
7. Keen, Andrew (2007). The cult of the amateur: how the democratization of the digital world is assaulting our economy, our culture, and our values. New York: Doubleday Currency.
8. Hof, Christian van ’t & Jelte Timmer (2012). Voorgeprogrammeerd – online keuzevrijheid onder druk. Den Haag: Rathenau Instituut.
9. Halliday, Josh (November 22, 2010). “Tim Berners-Lee: Facebook could fragment web”. The Guardian. http://www.guardian.co.uk/technology/2010/nov/22/tim-berners-lee-facebook.
10. Pariser, Eli (2011). The Filter Bubble: What the Internet Is Hiding from You. New York: Penguin Press.
11. Huysmans, Frank & Jos de Haan (2010). Alle kanalen staan open; de digitalisering van mediagebruik. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
12. Deursen, Alexander van & Jan van Dijk (2011). Internet skills and the digital divide. New Media & Society 13(6), 893-909.

 

Deel deze pagina