Nieuwsgebruik (2008)

De media bepalen welke onderwerpen hoeveel aandacht krijgen in de samenleving. Wanneer de media een onderwerp niet aan bod laten komen, zal men er vaak niet over spreken en er misschien niet eens vanaf weten. De macht om de publieke agenda te bepalen wordt ook wel ‘opiniemacht’ genoemd. Opiniemacht is dus de macht die aangeeft waar mensen in welke mate over spreken en discussiëren, maar niet hoe ze over een bepaald onderwerp denken. Om ervoor te zorgen dat er een divers aanbod van onderwerpen wordt aangesneden, wordt deze opiniemacht van de media in binnen- en buitenland wettelijk gereguleerd. In Nederland zijn deze bepalingen sinds juni 2007 opgenomen in de Tijdelijke wet mediaconcentraties (Twm). Deze wet richt zich op de drie afzonderlijke markten televisie, radio en dagbladen. Er wordt gekeken of het aandeel van een aanbieder op één of meer van deze markten niet boven een bepaalde grens komt.

Tien jaar geleden waren er drie dominante mediatypen: pers, televisie en radio. Door de komst van het internet is echter een nieuw platform voor content ontstaan. Via websites als uitzendinggemist. nl van de Nederlandse Publieke Omroep kunnen reeds uitgezonden televisieprogramma’s non-lineair, op een door de kijker gewenst moment, worden bekeken. Daarnaast bieden de e-papers van dagbladen op internet een kopie van de papieren versies. Het internet wordt echter ook als een opzichzelfstaand medium gebruikt, waarbij internetredacties zelf content produceren. Zo bieden internetsites van dagbladen bijvoorbeeld televisieprogramma’s aan, sites van omroepen geschreven tekst en bijna allemaal versturen ze desgevraagd nieuws naar hun abonnees via RSS-feeds.

De verschillen tussen van huis uit pers- en van huis uit omroepbedrijven vervagen doordat bestaande beperkingen dankzij het internet zijn opgeheven. Opiniemacht kan daarom beter op basis van bereik en gebruik van opinievormende content worden bepaald en niet op basis van mediatype en bijbehorende marktaandelen. Het is de vraag of het nodig is om alle aanbieders op één of meerdere markten te volgen. Voor het bepalen van opiniemacht is het zaak om vooral te kijken naar de partijen die onderwerpen behandelen die van belang zijn voor de meningsvorming in een democratie, zoals nieuws- en actualiteitenprogramma’s en dagbladen. Vanuit die optiek krijgen aanbieders van bijvoorbeeld spelshows meer vrijheid.

Om zicht te krijgen op de opiniemacht van media-aanbieders heeft het Commissariaat er in 2004 voor gekozen om niet meer naar de verschillende mediaplatforms te kijken, maar naar één crossmediale markt waar nieuws in dagbladen, nieuws op televisie en radio en nieuws op internet samenkomen. Ter afbakening zijn de volgende waarden aan het begrip ‘nieuws’ verbonden: nieuws is actueel, universeel, professioneel bewerkt en op alle Nederlanders gericht. Ondanks dat er in het verleden geregeld om multimediaal onderzoek is gevraagd (onder meer door de WRR), is dit nog nooit uitgevoerd. Met dit onderzoek betreedt het Commissariaat dan ook een nieuw en onbekend terrein.

Onderzoeksbureau Veldkamp heeft in de tweede helft van 2007 in opdracht van het Commissariaat 1195 Nederlanders van 13 jaar en ouder naar hun nieuwsgebruik gevraagd. Het doel hiervan is om uiteindelijk een adequate methode te ontwikkelen waarmee opiniemacht gemeten kan worden.

Onderzoek laat zien dat het mediaconsumptiepatroon van verschillende leeftijdsgroepen sterk verschilt, waarmee te verwachten is dat dit ook voor nieuwsmedia geldt. In dit onderzoek worden dan ook drie generaties onderscheiden: de jonge “internetgeneratie” die in de jaren negentig met de nieuwste media (games, mobiele telefoons, internet) is opgegroeid en waarvoor media vanzelfsprekend zijn. De iets oudere “televisiegeneratie” die in de jaren zeventig en tachtig audiovisuele content leerde kennen, maar ook al met de komst van videocassettes aan de non-lineaire consumptie begon. Tot slot de “dagbladgeneratie” die is opgegroeid met een betaald dagblad en met radio als het enige actuele medium.

 

Nieuwsmedia

Gemiddeld besteedden Nederlanders in 2007 per dag bijna 100 minuten aan nieuws- en actualiteiten (tabel 1). Meer dan 80 procent hiervan is terug te vinden bij het nieuws op televisie en radio en bij dagbladen/e-papers. De voorkeur voor deze drie media is in alle leeftijdsgroepen aanwezig. Tussen de drie groepen bestaan echter ook verschillen. Zo maakt de jongste generatie slechts 70 minuten per dag gebruik van nieuws, terwijl de groep van 55 jaar en ouder 140 minuten per dag nieuws leest, luistert en bekijkt. Naarmate de leeftijd stijgt, groeit het gebruik van dagbladen/e-papers en televisie, terwijl het nieuws op de radio luisteraars verliest. De nieuwsconsumptie via internet/RSS-feeds is het grootst onder de groep tot 35 jaar.

tabel 1: nieuwsgebruik per mediumtype en leeftijdsgroep in minuten per dag
tot 35 jaar 35-54 jaar 55 jaar en ouder totaal
Televisie 31,9 41,4 68,9 46,7
Radio 12,5 13,7 20,0 15,3
Dagbladen/e-papers 11,7 16,8 35,5 20,9
Opiniebladen 0,5 0,9 3,4 1,5
Internet/RSS-feeds 8,9 6,6 5,2 6,9
Teletekst 4,6 8,5 6,9 6,7
Totaal 70,1 87,9 139,8 98,0

Naast het gebruik van nieuws is onderzocht welk medium mensen zelf het meest belangrijk vinden bij het vergaren van nieuws. Gemeten op een schaal van 1 = helemaal niet belangrijk tot en met 10 = heel erg belangrijk, staat televisie bij alle leeftijdsgroepen bovenaan (tabel 2). Voor de jongste groep zijn na televisie vooral radio en internet/RSS-feeds belangrijk voor het volgen van nieuws. De twee oudere groepen geven de voorkeur aan radio en dagbladen/e-papers. Internet/RSS-feeds is voor de categorie mensen van 55 jaar en ouder een medium dat niet meer dan een 3,8 krijgt wanneer het gaat om hoe belangrijk dit medium voor hen is. Dat is beduidend lager dan bij de overige groepen. Er is slechts één medium dat bij de drie leeftijdsgroepen gemiddeld lager dan een 5 scoort: de opiniebladen. Dit heeft grotendeels te maken met de lage verschijningsfrequentie van dit medium.

tabel 2: waardering medium voor nieuws en actualiteiten per leeftijdsgroep (schaal 1-10)
tot 35 jaar 35-54 jaar 55 jaar en ouder totaal
Televisie 7,7 8,0 8,2 8,0
Radio 6,1 6,1 6,3 6,2
Dagbladen/e-papers 5,8 6,2 7,2 6,3
Opiniebladen 3,2 3,3 3,3 3,3
Internet/RSS-feeds 6,1 5,3 3,8 5,2
Teletekst 5,2 5,8 5,2 5,4
Legenda: 1 = helemaal niet belangrijk, 10 = heel erg belangrijk

De interesse voor een bepaald onderwerp varieert tussen de verschillende generaties (tabel 3). Een 1 betekent in deze tabel dat er totaal geen interesse is voor een bepaald onderwerp. Een 10 staat voor een hele grote interesse voor een onderwerp. Naarmate mensen ouder zijn, neemt de interesse voor veel onderwerpen toe. Alleen nieuws over showbizz wordt door de jaren heen als steeds minder interessant ervaren. Vooral politiek gerelateerd nieuws scoort onder de mensen van 55 jaar en ouder relatief hoog met een 6,7; de groep tot 35 jaar kent een 5,1 toe aan dit onderwerp. Het weer is iets waar in alle groepen veel belangstelling voor is. De ouderen hebben hier iets meer interesse in dan de jongeren, maar toch ligt het gemiddelde voor deze categorie op 7,2.

tabel 3: interesse in verschillende onderwerpen per leeftijdsgroep (schaal 1-10)
politiek economie/
financieel
sport showbizz kunst/
cultuur
weer gemiddelde
Tot 35 jaar 5,1 4,6 4,7 5,1 4,8 6,9 5,2
35-54 jaar 5,8 5,2 4,9 4,5 4,5 7,2 5,4
55 jaar en ouder 6,7 5,4 5,4 4,3 5,3 7,5 5,5
Totaal 5,8 5,1 5,0 4,6 4,8 7,2 5,4
Legenda: 1 = helemaal geen interesse, 10 = heel veel interesse

De keuze voor een nieuwsmedium hangt samen met de interesse voor bepaalde onderwerpen, leeftijd en opleidingsniveau (tabel 4). Mensen die televisie een belangrijk nieuwsmedium vinden, zijn geïnteresseerd in politiek en showbizz, maar bovenal in nieuws over het weer. Radio wordt als belangrijk nieuwsmedium gezien door de mensen die geïnteresseerd zijn in onder meer economisch en financieel nieuws. Deze mensen kiezen ook voor opiniebladen en internet/RSSfeeds. Teletekst wordt vooral hoog gewaardeerd door de mensen die in sport geïnteresseerd zijn.

De invloed van leeftijd op de keuze voor een bepaald medium is, zoals uit eerder besproken resultaten te verwachten is, met name te zien bij dagbladen/e-papers (vooral ouderen) en internet/RSS-feeds (vooral jongeren). Het opleidingsniveau is nauwelijks van invloed.

tabel 4: invloed van interesse, leeftijd en opleiding op keuze voor medium
televisie radio dagbladen/
e-papers
opiniebladen internet/
rss-feeds
teletekst
Interesse in politiek ++ 0 + ++ ++ 0
Interesse in economie 0 ++ + ++ ++ 0
Interesse in sport 0 + ++ ++ 0 +++
Interesse in showbizz ++ 0 0 + ++ +
Interesse in cultuur 0 + ++ +++ 0 +
Interesse in weer +++ +++ ++ 0 0 ++
Leeftijd 0 0 ++ 0 —- -
Opleiding 0 - 0 0 0 -
Legenda: 0 geen invloed, + versterkende invloed, – verminderende invloed; sterkte van de invloed: +/- zwak; ++/– matig; +++/”—” aanzienlijk; ++++/”—-” sterk

Naast het landelijke en regionale nieuws kan het lokale, maar ook het buitenlandse nieuws een bijdrage aan de Nederlandse opinievorming leveren. Belangrijk lokaal nieuws wordt over het algemeen door regionale en landelijke nieuwstitels verspreid, maar bij buitenlands nieuws is dat niet altijd het geval. Tabel 5 toont het bereik van buitenlands nieuws onder Nederlanders. Koploper is het nieuws op buitenlandse televisiezenders, dat vooral bij de twee oudste leeftijdsgroepen speelt. De jongste generatie gebruikt vergeleken met de andere twee groepen minder nieuws van buitenlandse media, maar geeft aan nog enigszins bereikt te worden door radio en internet. In 2005 heeft de Mediamonitor onderzoek gedaan naar het gebruik van buitenlands nieuws. Hieruit kan meegenomen worden dat men met name naar de zenders van omringende landen als België, Duitsland en Engeland kijkt als het gaat om buitenlandse televisie.

tabel 5: bereik van buitenlandse nieuwstitels per leeftijdsgroep (in procenten)
tot 35 jaar 35-54 jaar 55 jaar en ouder totaal
Televisie 3,8 8,0 15,7 9,0
Radio 2,2 1,1 2,4 1,9
Dagbladen/e-papers 0,4 0,6 1,3 0,8
Opiniebladen 0,0 0,0 0,0 0,0
Internet/RSS-feeds 2,6 1,4 1,6 1,9
Teletekst 0,0 1,3 0,7 0,7

Nieuwstitels

De figuur toont het aantal gebruikte nieuwstitels per leeftijdsgroep per dag. Voor dit onderzoek zijn titels samengenomen wanneer duidelijk was dat deze bij elkaar horen, zoals nuvideo.nl en nu.nl, maar ook e-papers en papieren versies van een dagblad, programma’s via uitzendinggemist.nl of op televisie en ook meerdere edities van één nieuwsprogramma, bijvoorbeeld Hart van Nederland vroege en late editie.

Bereik per leeftijdsgroep en nieuwstitels
Gemiddeld gebruikt de jongste generatie 4 titels per dag. Hiertegenover staat de oudste groep die 5,5 nieuwstitels per dag beluistert, leest en/of bekijkt. In totaal gebruikt bijna 90 procent van de jongeren minimaal 1 titel. Bij de twee oudere groepen ligt dit percentage op meer dan 95 procent. De meeste mensen van 35 jaar en ouder kiest per dag voor 3 nieuwstitels of meer. Bij de jongste groep gebruikt 60 procent 3 titels of meer.

In de tijd dat radio en televisie nog niet bestonden, was het gangbaar dat er betaald werd voor de nieuwsvoorziening van dagbladen en tijdschriften. De tijd dat men moest betalen om toegang te krijgen tot nieuws, eindigde met het verschijnen van radio en televisie. Hierbij werd de omroep die het nieuws verspreidde wel direct of indirect betaald, maar er werden geen aparte kosten gerekend per nieuwsprogramma. De trend van betaald naar gratis nieuws zet zich voort op het internet. Het betaalmodel dat uitgevers tien jaar geleden op internet probeerden te introduceren, bleek geen succes. De uitgevers worden ook buiten de digitale wereld geconfronteerd met gratis nieuws: de betaalde dagbladen moeten hun markt sinds 2002 delen met gratis dagbladen.

Aandeel gratis, publiek gefinancieerd, betaald

Hoe jonger mensen zijn, hoe groter het aandeel tijd dat besteed wordt aan gratis nieuwstitels. Het aandeel tijd besteed aan gratis nieuwstitels is bij de oudste groep de helft van dit aandeel bij de jongste groep. Hier staat tegenover dat de ouderen meer gebruik maken van het nieuws dat door de publiek gefinancierde omroepen wordt verspreid. Het gebruik van betaald nieuws is vooral bij de oudste generatie sterk aanwezig: 25 procent van deze groep maakt gebruik van betaalde nieuwstitels, terwijl dit aandeel bij de groep met de leeftijd tot 35 jaar nog maar 13 procent is.

tabel 6: bereik gratis, publiek gefinancierde en betaalde nieuwstitels per leeftijdsgroep (in procenten)
tot 35 jaar 35-54 jaar 55 jaar en ouder totaal
Bereik gratis nieuws 78,0 81,9 75,8 78,4
Bereik publiek gefinancierd nieuws 65,3 79,2 90,5 78,1
Bereik betaald nieuws 30,8 45,5 70,1 48,3

Bijna tachtig procent van de mensen wordt bereikt door één of meerdere gratis titels (tabel 6). Bij de jongste groep is het bereik van publiek gefinancierde titels en het bereik van betaald nieuws beduidend lager dan het bereik van gratis nieuws. Dit geldt eveneens voor de groep van 35 tot en met 54 jaar, hoewel daar het bereik van gratis en publiek gefinancierd nieuws dichter bij elkaar liggen. Negentig procent van de oudste groep gebruikt publiek gefinancierd nieuws. De overige nieuwstitels behalen in deze groep een bereik van in de zeventig procent.

tabel 7: tijdaandeel en bereik voor nieuwstitels met een bereik groter dan vijf procent (in procenten)
tijdaandeel bereik bereik
tot 35 jaar
bereik
35-54 jaar
bereik
55 jaar en ouder
NOS Journaal 13,8 61,4 45,7 59,9 79,3
RTL Nieuws 6,9 37,1 35,2 37,2 39,0
Hart van Nederland 6,6 30,0 21,5 34,8 33,0
NOS Teletekst 4,2 28,9 23,8 36,4 25,0
nu.nl 2,5 17,8 27,7 18,5 7,2
RTL Teletekst 1,8 14,6 11,3 18,6 12,7
Pauw & Witteman 4,8 13,8 4,6 10,0 27,3
De wereld draait door 4,4 13,4 10,4 15,5 13,8
4 in het land 2,0 11,9 11,9 14,2 8,9
De Telegraaf (papier) 3,2 11,2 5,4 11,7 17,0
Radio Regionale Omroep 1,8 11,2 5,5 9,3 19,1
Radio1 4,8 10,0 5,5 5,6 18,7
Nova 2,0 9,1 2,9 6,0 19,3
Metro (papier) 1,2 9,1 8,9 9,1 9,3
Editie.nl 1,4 8,7 10,0 8,3 7,8
Radio 538 1,2 8,5 12,8 11,0 1,5
Netwerk 1,4 8,0 4,4 4,9 15,9
EenVandaag 1,7 8,0 4,2 5,6 14,0
Radio2 2,4 7,8 3,2 10,0 9,9
Sky Radio 1,0 7,2 6,7 8,5 5,7
3FM 1,1 6,9 12,0 7,1 1,8
AD (papier) 2,2 6,6 2,7 6,3 11,3
Sp!ts 0,9 6,6 7,2 7,8 4,3
RTLZ 1,6 6,5 3,9 6,9 8,3
SBS6 Teletekst 0,6 6,4 5,6 8,5 4,5
Q-Music 0,9 5,3 10,2 4,6 1,3

Onder alle leeftijdsgroepen is het NOS Journaal de titel met het grootste bereik (tabel 7). Ook het marktaandeel van deze nieuwsuitzendingen is aanzienlijk groter dan de marktaandelen van de overige titels. De nummers 2 en 3 zijn eveneens weggelegd voor televisieprogramma’s: RTL Nieuws en Hart van Nederland.

Het bereik onder de jongste twee groepen is bij NOS Teletekst groter dan bij Hart van Nederland. De nieuws- en actualiteitenprogramma’s van de publieke omroep op radio en televisie bij elkaar opgeteld, alsook de papieren versies van de Telegraaf en het AD hebben onder de jonge generatie minder dan eenderde van het bereik dan bij de oude generatie. Daarentegen hebben de nieuwsuitzendingen op de radiozenders Q-music, 3FM, en Radio 538 met name een hoog bereik onder de jongere generatie. Ook nu.nl scoort hoog onder deze groep. De meeste dagbladen vallen evenals BNR Nieuwsradio buiten deze tabel vanwege een bereik van minder dan vijf procent.

 

Nieuwsaanbieders

Voor het in kaart brengen van opiniemacht is de aanbieder belangrijker dan de bij de aanbieder horende nieuwstitels. Wanneer mensen slechts door één aanbieder worden bereikt, zijn zij volledig afhankelijk van wat deze aanbieder verspreidt en is er dus een hoge opiniemacht voor deze aanbieder. Het risico is eveneens hoog bij twee aanbieders, gezien het feit dat deze aanbieders kunnen samenwerken of fuseren. Ongeveer de helft van de jongste generatie maakt slechts gebruik van twee nieuwsaanbieders of minder. Bij de oudere generaties ligt dit aandeel op ongeveer dertig procent. Met name de groep in de leeftijd van 35 tot 54 jaar gebruikt vier aanbieders of meer bij het vergaren van nieuws.

Bereik per leeftijdsgroep en aantal nieuwsaanbieders

De publieke omroepen hebben gezamenlijk bij alle leeftijdsgroepen het grootste tijdaandeel en het grootste bereik (tabel 8). Bijna tweederde van de jongste generatie en 90 procent van de oudste generatie wordt door het nieuws van de publieke omroepen bereikt. Hierbij zijn alle mediatypen meegenomen, zoals televisie, radio en internet, maar ook teletekst en RSS-feeds. Op de tweede plaats staat RTL, met een totaal tijdaandeel van 15 procent en een bereik van 53 procent. Deze aanbieder is eveneens onder alle leeftijdsgroepen populair. De Telegraaf Media Groep en SBS Nederland staan respectievelijk op de 3e en 4e positie met vergelijkbare cijfers voor bereik en tijdaandeel. De dagbladuitgevers Mecom en PCM danken hun positie met name aan de oudste generatie waar zij een tijdaandeel van respectievelijk 7 en 5 procent hebben en een bereik van 25 en 19 procent. Sanoma is een van de weinige aanbieders die vooral jonge mensen aanspreekt, te danken aan nu.nl. Gezamenlijk hebben de aanbieders een HHI van 0,24, wat betekent dat er sprake is van een sterk geconcentreerde markt.

tabel 8: tijdaandeel en bereik per leeftijdsgroep voor aanbieders met een marktaandeel of bereik groter dan 1 procent (in procenten)
tijdaandeel bereik
totaal tot 35 jaar 35-54 jaar 55 jaar en ouder totaal tot 35 jaar 35-54 jaar 55 jaar en ouder
publieke omroepen
(incl. regionale omroepen)
44,5 35,7 42,1 51,1 78,1 65,3 79,2 90,5
RTL Nederland 15,4 22,0 17,6 10,2 53,0 50,0 57,3 51,0
Telegraaf Media Groep 8,0 7,7 8,5 7,8 32,1 25,1 35,4 35,7
SBS Nederland 7,3 8,0 9,2 5,5 32,3 23,5 37,9 35,3
Mecom 5,7 4,4 5,1 6,9 19,2 13,4 19,2 25,5
PCM Uitgevers 4,4 3,8 3,7 5,3 12,9 8,9 11,2 19,0
Sanoma 3,0 6,4 2,7 1,4 18,1 27,7 18,5 7,2
AD Nieuwsmedia 2,4 0,8 2,0 3,5 7,9 3,0 8,5 12,4
NDC/VBK de uitgevers 1,5 0,5 1,7 1,8 4,6 2,5 4,6 6,9
Metro Holland 1,3 1,8 1,3 1,0 9,4 8,9 9,6 9,8
De Persgroep 1,1 2,2 1,0 0,5 5,9 10,2 4,6 2,8
FD Mediagroep 0,8 0,4 0,8 0,9 2,3 1,7 2,2 3,1
Reed Elsevier 0,7 0,6 0,5 1,0 1,5 1,1 2,0 1,3
Mountain Media 0,5 0,6 0,6 0,4 4,4 3,2 6,0 4,0
Erdee Media Groep 0,5 0,9 0,4 0,2 1,6 2,3 1,3 1,4
KPN 0,5 0,5 0,9 0,2 4,2 3,7 6,4 2,2
Nedag Beheer 0,4 0,7 0,4 0,2 1,5 2,2 1,5 0,8
Google 0,4 0,5 0,2 0,5 2,9 3,6 1,8 3,3
Moneyview 0,3 0,5 0,4 0,2 3,1 3,8 3,3 1,9
Slam!FM 0,2 0,7 0,1 0,0 1,2 2,7 1,0 0,0
Microsoft 0,1 0,4 0,0 0,0 1,4 2,7 1,1 0,5
Totaal 100 100 100 100

Hoe dominant de publieke omroepen, RTL, TMG en SBS op de nieuwsmarkt zijn, kan ook uit figuur 4 worden afgelezen. Geven we alle aanbieders uit tabel 8 een rangnummer, van eerste rang, grootste aanbieder (de publieke omroepen), tot laagste rang, kleinste aanbieder (Microsoft), dan zien we dat vanaf de zesde rang en verder het tijdaandeel van de betreffende aanbieders op de nieuwsmarkt niet veel gewicht meer in de schaal legt. De grafiek die hier ontstaat heeft sterk kenmerken van de bekende 20:80 regel die zich op diverse terreinen in het maatschappelijk en economisch leven manifesteert. Ook op de nieuwsmarkt is het kennelijk zo dat een klein aantal aanbieders het overgrote marktdeel voor zijn rekening neemt. (Terzijde, statistici zouden zeggen dat ook de nieuwsmarkt kennelijk de Wet van Zipf (20:80) volgt. Voor meer informatie over deze wet: M.E.J. Newman, 2005, “Power laws, Pareto distributions and Zipf’s law”, in: Contemporary Physics, Vol. 46(5), 323-351)).

Tijdaandeel afgezet tegen rang van aanbieders

Nieuwsmarkt en Tijdelijke wet

De Nederlandse Tijdelijke wet mediaconcentraties heeft als doel opiniemacht te beperken en een te grote opiniemacht door fusies en overnames te voorkomen: “De in de Tijdelijke wet mediaconcentraties opgenomen maximumpercentages waarborgen, onverlet latende de eisen die de Mededingingswet aan concentraties stelt, een gegarandeerde spreiding van (potentiële) opiniemacht over meerdere partijen in de sectoren voor dagbladen, televisie en radio.” (Twm, Nota van toelichting). Ten opzichte van andere landen kiest de Nederlandse wetgever ervoor om niet alleen televisie maar ook radio en dagbladen opiniemacht toe te schijven. In de Twm worden de drie mediatypes niet gewogen: het aandeel op de dagbladenmarkt is even belangrijk als het aandeel op de radio- en televisiemarkt. Als in de toekomst de kijktijd toeneemt en het gebruik van dagbladen afneemt houdt de wet hier geen rekening mee. Waarschijnlijk is dat het gebruik van de drie media afneemt en het gebruik van bijvoorbeeld internet, mobiele telefoons en RSS toeneemt.

Gebruik geeft een beter zicht op opiniemacht dan economische indicatoren, maar de vraag is of het gebruik van alle contenttypes even belangrijk is voor de vorming van opiniemacht, of dus de consumptie van amusement en die van nieuws even sterk de publieke opinie beïnvloeden. Nog duidelijker treedt de noodzaak van een inhoudelijke beperking naar voren als internet erbij wordt betrokken: is het boeken van een vlucht, het spelen van online games en het overmaken van geld via internet even belangrijk voor de opinievorming als het lezen van een nieuwssite? Naast het probleem dat in de Twm verondersteld wordt dat de drie markten televisie, radio en dagbladen nu en in toekomst even belangrijk zijn, blijft het inhoudelijke type aanbod buiten beschouwing.

De resultaten over de nieuwsmarkt op aanbiedersniveau kunnen worden vergeleken met het gemiddelde marktaandeel op de drie markten volgens de Twm. Tabel 9 laat alle aandelen voor aanbieders met een marktaandeel groter dan één procent in een van de twee metingen zien.

Het valt op dat beide metingen van opiniemacht sterk samenhangen: aanbieders met een hoog gemiddeld aandeel op de drie markten televisie, radio en dagbladen beschikken ook over een hoog aandeel op de nieuwsmarkt en vice versa. De mediaplatforms die niet onder de Twm vallen zoals RSS-feeds, internet, week- en opiniebladen en teletekst zijn voornamelijk afkomstig van de grote televisie- en radio-omroepen en dagbladuitgevers. Sanoma (aanbieder van nu.nl) is de enige aanbieder die er op de nieuwsmarkt met een noemenswaardig aandeel nieuw bij komt. Dit betekent echter niet dat er geen verschillen zijn. De opiniemacht van de publieke omroepen en RTL Nederland wordt door de Twm verhoudingsgewijs kleiner geschat en de opiniemacht van vele dagbladen groter. Dit heeft mede te maken met het aanbod: zonder nieuws heeft een aanbieder geen opiniemacht en is de opiniemacht gelijk aan nul, zoals bij MTV Networks het geval is.

tabel 9: nieuwsmarkt en marktaandelen volgens de Twm in 2007 (in procenten)
nieuwsmarktaandeel gemiddeld Twm
publieke omroepen (incl. reg. omroepen) 44,5 26,5
RTL Nederland 15,4 12,1
Telegraaf Media Groep 8,0 14,4
SBS Nederland 7,3 6,5
Mecom 5,7 6,2
PCM Uitgevers 4,4 6,3
Sanoma 3,0 0,0
AD Nieuwsmedia 2,4 2,9
NDC / VBK de uitgevers 1,5 1,5
Metro Holland 1,3 3,1
De Persgroep 1,1 2,7
Mountain Media 0,5 2,9
Arrow Media Group 0,2 1,3
MTV Networks 0,0 1,6
Overige 4,7 12,0
Totaal 100 100

De Twm wordt komend jaar (2009) geëvalueerd. De marktaandelen volgens de Twm zijn op betrouwbare en in de markt geaccepteerde cijfers gebaseerd. Met behulp van het kijkonderzoek, luisteronderzoek en de oplagecijfers van HOI worden de aandelen op de dagbladen-, televisie- en radiomarkt door het Commissariaat voor alle titels berekend en vervolgens via de site mediamonitor.nl openbaar gemaakt.

De vraag is of met deze aandelen de opiniemacht wordt gemeten. Dat de marktaandelen volgens de Twm tot nu toe redelijk overeenkomen met de aandelen van de nieuwsmarkt heeft te maken met het feit dat het mediagebruik nog voornamelijk uit televisiekijken, dagbladen lezen en radio luisteren bestaat. Het mediagebruik en -aanbod veranderen echter sneller dan ooit en het is onbekend welke verspreidingsplatforms voor nieuws in de komende jaren worden ontwikkeld en gebruikt. Met het onderzoek is een alternatief model voor de meting van opiniemacht voorgesteld dat rekening houdt met alle mogelijke verspreidingsvormen voor de meest relevante opinievormende content.

Deel deze pagina