Nieuwsgebruik (2005)

 Inleiding

Waar haalt de Nederlander zijn dagelijkse portie nieuws vandaan? De nieuwsconsument heeft ruimschoots de keuze uit een aanbod, variërend van televisiejournaals en radionieuwsbulletins tot kranten, opinietijdschriften en nieuwspagina’s op internet. Voorafgegaan door een nadere omschrijving van het begrip ‘nieuwsmarkt’ en een afbakening van de vraagstelling, biedt dit stuk een eerste aanzet tot een analyse van vraag en aanbod van nieuws in Nederland en daarmee een voorlopig antwoord op de vraag hoe de Nederlander aan nieuws komt.

In de eerste drie rapporten onderscheidde de Monitor Mediaconcentraties de verschillende mediamarkten naar platform of mediatype: pers, televisie, radio en (eenmalig, in 2002) internet. Adverteerders gaan eveneens uit van op zichzelf staande ‘platformmarkten’. Onderzoek spitst zich veelal toe op individuele groepen mediagebruikers: krantenlezers, televisiekijkers, radioluisteraars en internetgebruikers. Het platform of type medium vormt hierbij het uitgangspunt, terwijl het dikwijls om dezelfde consument gaat in verschillende rollen.

De benadering in dit hoofdstuk gaat niet langer uit van het platform, maar van de inhoud: in dit geval ‘nieuws’. De ‘nieuwsmarkt’ wordt door de Monitor los van de diverse soorten aanbieders (uitgevers, omroepen) en de mediaplatforms gedefinieerd als een markt, waarbij de content of inhoud van het mediumtype centraal staat. In die visie worden dagbladen, televisiejournaals, radionieuwsbulletins en nieuwspagina’s op internet tot één en dezelfde “crossmediale markt voor nieuws” gerekend.

Het begrip ‘nieuws’ is afgebakend aan de hand van de volgende criteria: nieuws is actueel, universeel, professioneel bewerkt en op alle Nederlanders gericht.

Actueel: Er is ten minste één keer per week sprake van verversing. Tijdschriften die niet wekelijks verschijnen (opinieblad Ode) of programma’s zoals het Wereld Journaal horen volgens deze definitie niet bij de nieuwsmarkt. Reden voor deze beperking is enerzijds het permanente karakter van opinievorming, anderzijds het werkbaar houden van de analyses.

Universeel: Alle onderwerpen maken kans geselecteerd te worden. Uitgesloten zijn thematische media (MTV, Het Financieele Dagblad) en radio- of televisieprogramma’s gericht op één onderwerp op het gebied van amusement (RTL Boulevard) of sport (NOS Sport journaal). Hart van Nederland bericht alleen over binnenlandse gebeurtenissen en valt daarom buiten de definitie. Aangezien deze kranten en programma’s wel degelijk nieuws brengen, is een aparte tabel (2) aan deze specialistische nieuwsmedia gewijd.

Professioneel bewerkt: Journalisten hebben het nieuws geselecteerd en/of bewerkt. Nieuws verkregen via weblogs of op privépagina’s van particulieren horen niet bij de nieuwsmarkt.

Op alle Nederlanders gericht: Nieuws mag niet doelgroepspecifiek zijn, bijvoorbeeld Jeugdjournaal of Kidsweek. Zo is nieuws gericht op etnische groepen uitgesloten van de selectie. Evenals bij thematische media geldt dat niet alle onderwerpen dezelfde kans maken om aan bod te komen. Buitenlandse media worden evenmin tot de markt gerekend. Publieke zenders uit België, Engeland en Duitsland, CNN, tijdschriften als The Economist en dagbladen als Bild en Hurriyet bereiken weliswaar een deel van de Nederlandse bevolking, maar hebben niet als uitgangspunt alle Nederlanders te bereiken.

Om de landelijke nieuwsmarkt in kaart te brengen zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:

  • Waaruit bestaat het aanbod op de nieuwsmarkt?
  • Hoeveel mensen worden via de verschillende platformen bereikt?
  • Hoeveel aanbieders zijn actief op de nieuwsmarkt en hoe geconcentreerd is deze markt?
  • In welke mate wordt van het aanbod van verschillende aanbieders gebruik gemaakt?
  • Indien twee commerciële aanbieders fuseren, hoeveel mensen bereiken ze exclusief en hoeveel in totaal?
  • Hoe ontwikkelen de huidige aanbieders zich naar verwachting in de toekomst?

Voor de beantwoording van de vragen is gebruik gemaakt van gegevens uit een algemeen onderzoek door Bureau Veldkamp (Mediabelevingsonderzoek 2003). Aan een steekproef van 1000 respondenten uit de Nederlandse bevolking is onder meer gevraagd welke media zij in de afgelopen één à twee dagen hebben gevolgd. Alle dagbladen, tijdschriften, internetpagina’s en televisieprogramma’s die aan de bovengenoemde nieuwscriteria voldoen zijn geanalyseerd.

Enkele kanttekeningen vooraf:

  • In tegenstelling tot televisiezenders waar gevraagd is naar afzonderlijke nieuwsprogramma’s, had dezelfde vraag bij radio betrekking op volledige zenders. Behalve radionieuwsbulletins op hele uren heeft een respondent waarschijnlijk vooral geluisterd naar het omliggende muziekprogramma. Dit heeft een zekere overschatting van de consumptie van nieuws via radio tot gevolg.
  • Bij internetpagina’s die slechts ten dele uit nieuws bestaan (onder andere providers, MSN) is het bezoeken van de website al meegeteld als nieuwsconsumptie. Daardoor is ook sprake van overschatting van het aandeel van websites.

 

Aanbod

Uitgaande van de hierboven omschreven inhoudelijke afbakening van nieuws maken Nederlanders gebruik van 66 verschillende nieuwstitels. Het aanbod bestaat uit 32 dagbladen en tijdschriften, 17 radio- en televisieprogramma’s en 17 internetsites.

Drie nieuwstitels bereiken elk meer dan 30 procent van alle Nederlanders van 13 jaar en ouder. De eerste twee plaatsen worden ingenomen door radionieuws. Radionieuws bereikt veel mensen omdat het nieuws ten minste ieder uur wordt uitgezonden en niet tot een bepaald tijdvak beperkt is. Het NOS radionieuws wordt via alle landelijke en regionale publieke zenders verspreid en het ANP Nieuws via de meeste landelijke commerciële zenders. Het NOS televisiejournaal staat op de derde plaats. RTL Nieuws op televisie staat weliswaar op de vierde positie, maar bereikt minder dan de helft van de mensen die het NOS televisiejournaal bereikt. Op de vijfde plaats vinden we het eerste gedrukte medium (De Telegraaf) en op zes staat de eerste website (telegraaf.nl). Het televisieprogramma Barend en van Dorp bezet de zevende plaats. Op de achtste plaats staat het Algemeen Dagblad met een bereik van 7,1 procent. Alle andere tv-programma’s, dagbladen, tijdschriften en internetpagina’s bereiken minder dan vijf procent van de Nederlanders.

Hoewel de eerste vier posities (NOS radio- en televisienieuws, ANP radionieuws en RTL televisienieuws) slechts een klein deel (zes procent) van alle 66 nieuwstitels uitmaken, komen zij tot een gezamenlijk marktaandeel van bijna 50 procent.

Tabel 1: algemeen nieuwsaanbod in Nederland: bereik en marktaandeel (in procenten)
Titel
Platform Aanbieder Bereik Marktaandeel
NOS Radionieuws Radio Publieke Omroep 42,7 16,4
ANP Radio nieuws Radio ANP via diverse commerciële zenders 36,2 13,9
NOS Journaal TV Publieke Omroep 31,1 12,0
RTL Nieuws TV RTL 14,8 5,7
De Telegraaf Print Telegraaf 13,9 5,3
Telegraaf.nl Internet Telegraaf (ook via MSN) 7,8 3,0
Barend & Van Dorp TV RTL 7,5 2,9
Algemeen Dagblad Print PCM 7,1 2,7
BN De Stem Print Wegener 4,5 1,7
RTL radionieuws Radio RTL 4,4 1,7
Sp!ts Print Telegraaf 4,3 1,7
Twentsche Courant Tubantia Print Wegener 4,2 1,6
Yorin radionieuws Radio RTL 3,8 1,5
Novum radionieuws Radio MoneyView via div. commerciële zenders 3,8 1,5
Netwerk TV Publieke Omroep 3,5 1,3
Metro Print Metro 3,5 1,3
Dagblad van het Noorden Print NDC 3,5 1,3
De Volkskrant Print PCM 3,2 1,2
RTL Z Nieuws TV RTL 2,9 1,1
Provinciale Zeeuwse Courant Print Wegener 2,8 1,1
Leeuwarder Courant Print NDC 2,7 1,0
Trouw Print PCM 2,6 1,0
Brabants Dagblad Print Wegener 2,6 1,0
NRC Handelsblad Print PCM 2,5 1,0
Noordhollands Dagblad Print Telegraaf 2,5 1,0
Nova TV Publieke Omroep 2,5 1,0
ANP Internet Internet ANP via diverse commerciële pagina’s 2,5 1,0
Elsevier Print Elsevier 2,4 0,9
nu.nl Internet Sanoma 2,4 0,9
Novum Internet Internet MoneyView via div. commerciële pagina’s 2,4 0,9
Rotterdams Dagblad Print PCM 2,3 0,9
Actualiteiten in 2 vandaag TV Publieke Omroep 2,3 0,9
De Gelderlander Print Wegener 2,2 0,8
De Stentor Print Wegener 2,0 0,8
Haagsche Courant/ Goudse Courant Print Wegener 2,0 0,8
planet.nl Internet KPN 1,8 0,7
Dagblad De Limburger Print Telegraaf 1,7 0,7
wanadoo.nl Internet France Telecom 1,4 0,5
B&W TV Publieke Omroep 1,3 0,5
Haarlems Dagblad/ Leidsch Dagblad/ De Gooi- en Eemlander Print Telegraaf 1,2 0,5
Eindhovens Dagblad Print Wegener 1,0 0,4
Het Parool Print Het Parool 1,0 0,4
fok.nl Internet FOK 0,7 0,3
volkskrant.nl Internet PCM 0,6 0,2
Limburgs Dagblad Print Telegraaf 0,6 0,2
HP de tijd Print Audax 0,6 0,2
Goedemorgen Nederland TV Publieke Omroep 0,6 0,2
Editie.nl TV RTL 0,6 0,2
BNR radionieuws Radio FD 0,6 0,2
lycos.nl Internet Lycos 0,6 0,2
kranten.com Internet 0,6 0,2
Nederlands dagblad Print Nedag 0,5 0,2
trouw.nl Internet PCM 0,5 0,2
Reformatorisch dagblad Print Erdee 0,4 0,2
nos.nl Internet Publieke Omroep 0,4 0,2
De Dordtenaar Print PCM 0,3 0,1
Vrij Nederland Print WPG 0,3 0,1
rtl.nl Internet RTL 0,3 0,1
Utrechts Nieuwsblad/ Amersfoortse Courant Print Wegener 0,2 0,1
Groene Amsterdammer Print Gr. Amsterdammer. 0,2 0,1
bn.nl Internet Wegener 0,2 0,1
teletekst nos.nl Internet Publieke Omroep 0,2 0,1
teletekst.nl Internet 0,2 0,1
Rijn en Gouwe Print PCM 0,1 0,1


Ook specialistische televisieprogramma’s en bladen bereiken een redelijk aantal Nederlanders (tabel 2). In het bijzonder betreft dit het tot binnenlandse berichtgeving beperkte SBS programma Hart van Nederland, het in shownieuws gespecialiseerde RTL Boulevard, het NOS Sportjournaal en het op een specifieke doelgroep gerichte NOS Jeugdjournaal. Buitenlandse nieuwsmedia spelen in Nederland slechts een marginale rol.

Tabel 2: specialistisch nieuwsaanbod in Nederland (selectie): bereik (in procenten)

Titel
Mediumtype Bereik
Hart van Nederland TV 11,6
RTL Boulevard TV 4,0
Buitenlands radionieuws Radio 3,1
NOS Sport journaal TV 2,7
NOS Jeugdjournaal TV 1,8
Buitenlands televisienieuws TV 0,7
Buitenlands nieuws online Internet 0,5
Het Financieele Dagblad Print 0,3
buitenlandse dagbladen Print 0,2
buitenlandse opinietijdschriften Print 0,1
Shownieuws TV 0,1
fd.nl Internet 0,1

Het gebruik van mediatypen

De tweede onderzoeksvraag richt zich op het gebruik van de verschillende mediaplatforms bij het consumeren van nieuws door de Nederlander. Allereerst is gekeken hoe het gebruik over de verschillende mediatypen is verdeeld.

Het belangrijkste nieuwsplatform is radio: bijna driekwart van de Nederlanders komt dagelijks in aanraking met nieuws via de radio (zie ondertsaande figuur). Dit valt ten dele te verklaren uit de al genoemde overschatting van radionieuws. Bovendien wordt op alle publieke en commerciële radiozenders ten minste één keer per uur een nieuwsbulletin uitgezonden.

Bereik van nieuws per mediumtype

Nieuws via dagbladen bereikt meer mensen dan via televisie. De beperkte hoeveelheid journaals en actualiteitenprogramma’s op televisie maakt het minder vanzelfsprekend dat elke televisiekijker ook door een nieuwsprogramma wordt bereikt. Nieuws op televisie wordt echter door meer verschillende redacties gemaakt dan radionieuws. Ook nieuws dat door dagbladen wordt aangeboden is door een grote verscheidenheid aan redacties geproduceerd.

Nieuws op internet en opinietijdschriften volgen op ruime afstand. Opinietijdschriften verschijnen slechts één keer per week, er zijn er maar vier van in Nederland en ze hebben een geringe oplage. Hieruit volgt dat slechts een minderheid van de nieuwsconsumenten hier dagelijks mee in aanraking komt. Deze ‘nieuwsfreaks’ maken echter wel het meest intensief gebruik van aanvullende mediatypen: een gemiddelde van 2,6 is met afstand de hoogste score. Ook consumenten van nieuws via televisie (1,7), internet (1,7) en dagbladen (1,5) wenden zich relatief vaak tot andere media. Luisteraars van radionieuws maken het minste gebruik van aanvullende media-typen (1,3).

Tabel 3 toont de mate waarin bijvoorbeeld een consument van radionieuws zich aanvullend wendt tot andere nieuwsmedia, in dit geval hoofdzakelijk dagbladen (ongeveer 60 procent) en televisienieuws (ruim 46 procent). De kolommen ‘dagbladen’ en ‘televisienieuws’ laten de meest opvallende verschillen zien. Nieuwsconsumenten die gebruik maken van televisie en opinietijdschriften, lezen vaker daarnaast nog een dagblad (in beide gevallen ongeveer 75 procent) dan consumenten van radio- en internetnieuws. Lezers van opinietijdschriften maken bovendien het meest van alle nieuwsconsumenten aanvullend gebruik van televisienieuws (ruim 83 procent).

Tabel 3: gedrag nieuwsgebruikers: aanvullend gebruik mediatypen (in procenten)
Mediumtype
Radio-nieuws Dagbladen Televisie-nieuws Internet-nieuws Opinie-tijdschrift
Radio 100 59,7 46,4 17,9 3,0
Dagblad 71,3 100 55,0 17,9 3,6
Televisie 74,5 74,1 100 17,4 5,5
Internet 68,7 58,5 42,0 100 4,3
Opinietijdschrift 74,3 73,3 83,3 27,6 100
gemiddeld 76 63,6 47,4 19,5 3,1

Een groot deel van de nieuwsconsumenten maakt gebruik van meer dan één mediaplatform. Gezien het feit dat het ontplooien van crossmediale activiteiten aan mediawettelijke beperkingen gebonden is, ligt het voor de hand dat nieuwsgebruikers feitelijk van de diensten van meer dan één aanbieder gebruik maken. Dit betekent dat concentratie van het aanbod van nieuws al op voorhand beperkt is.

 

Mate van concentratie

Achter de 66 ‘titels’ op de nieuwsmarkt staan 22 verschillende aanbieders. Een HHI van .15 (tabel 4) laat zien dat de nieuwsmarkt gematigd geconcentreerd is. De Publieke Omroep is de grootste speler en bereikt met nieuwsberichten binnen één à twee dagen meer dan de helft van de Nederlandse bevolking. Naast de Publieke Omroep zijn vijf andere grote nieuwsaanbieders op de Nederlandse markt actief. De directe bijdrage van ANP bestaat vooral uit productie van kant- en – klare radionieuwsuitzendingen uitgezonden door commerciële radiozenders en uit internetnieuws. Echter, ook op indirecte wijze (niet gemeten), wordt een groot deel van het ANP nieuws in meer of mindere mate via alle andere nieuwsaanbieders verspreid. De Publieke Omroep is bijvoorbeeld afnemer van ANP nieuwsberichten, maar bewerkt dit nieuws en vult het aan ten behoeve van de eigen nieuwsuitzendingen.

Gezien de feitelijke overschatting van radionieuws en aangezien een speler als De Telegraaf vooral op de platformmarkten pers en internet actief is, is het waarschijnlijk dat de opiniemacht van De Telegraaf groter is dan die van RTL Nederland. Ook voor Wegener en PCM geldt dat hun marktpositie zonder overschatting van radio en internet iets hoger zou uitkomen. Alle andere aanbieders (Novum en verder) hebben een gering marktaandeel, zij komen gezamenlijk slechts tot 13 procent van de markt.
Tabel 4: aanbieders van nieuws: bereik en marktaandeel (in procenten)
Aanbieder
Bereik Markt­­­aandeel
Publieke Omroep 57,5 26,0
ANP 37,6 17,0
RTL Nederland 28,8 13,0
Telegraaf Media Groep 28,3 12,8
Koninklijke Wegener 21,3 9,7
PCM Uitgevers 18,2 8,2
Novum nieuws / FTV 6,2 2,8
NDC Holding 6,1 2,8
Metro Holland 3,5 1,6
Ilse Media Groep 2,4 1,1
Reed Business Information 2,4 1,1
Andere* 8,6 3,9
Totaal 100
* alle aanbieders met een bereik <2.0 en een marktaandeel <1.0 procent.

Gebruik verschillende aanbieders

De concentratie van de markt zegt op zich niets over de vraag in hoeverre mensen gebruik maken van verschillende aanbieders en of zij überhaupt nieuws consumeren. Zo maakt 4,6 procent van de Nederlandse bevolking helemaal geen gebruik van nieuws (tabel 5). 25 procent maakt maar gebruik van één aanbieder (in veel gevallen ANP). Een ruime meerderheid (70 procent van de bevolking) maakt gebruikt van twee of meer nieuwsaanbieders.

Tabel 5: aantal gebruikte nieuwsaanbieders
Aanbieders
Aandeel
Geen aanbieder 4,6
Een aanbieder 25,0
Alleen Publieke Omroep 4,8
Alleen ANP 7,2
Alleen RTL 3,9
Alleen Telegraaf 3,4
Alleen Wegener 3,5
Alleen PCM 1,1
Alleen een van de andere aanbieders 1,1
Twee aanbieders 35,0
Drie aanbieders 22,5
Vier en meer aanbieders 12,9
Totaal 100

Indien het percentage Nederlanders dat nieuws uitsluitend van twee aanbieders gebruikt (het exclusieve bereik) een indicatie levert, dan is het risico van fusies voor de crossmediale markt klein (zie onderstaande figuur). Wanneer RTL De Telegraaf zou overnemen, dan zijn deze twee aanbieders voor minder dan acht op de honderd Nederlanders de enige nieuwsbron. Een alternatieve indicatie voor opiniemacht vormt het totale gezamenlijke bereik: het percentage Nederlanders dat door twee aanbieders samen wordt bereikt, onafhankelijk van de vraag of mensen nog van andere aanbieders gebruik maken. Hier toont de analyse wel een risico aan. Dit geldt vooral wanneer een omroep met een uitgever fuseert; zo kan RTL zijn bereik van 28,5 (zie tabel 5.4) met de Telegraaf naar 48,5 procent verhogen en heeft daarmee de mogelijkheid door middel van berichtgeving op internet, televisie, radio en dagbladen de nieuwsagenda te sturen.

Betekenis van een mogelijke fusie voor het bereik

Toekomstige ontwikkeling

De meest interessante en tegelijkertijd sterk speculatieve vraag is gericht op de ontwikkeling van het nieuwsmediagebruik in de toekomst en de daarmee samenhangende aanbiederconcentratie. Volgens de socialisatietheorie worden generaties door het gebruik van de media waarmee ze opgroeien gevormd. Afhankelijk van deze ‘mediasocialisatie’ ontwikkelen generaties een voorkeur voor mediaplatformen, titels- en programma’s (zie ook WRR, 2005a, pag. 94). Of het nieuwsmediagebruik in de toekomst gaat veranderen, wordt getoetst aan de hand van drie leeftijdsgroepen, ingedeeld naar mediasocialisatie.

De jongste groep is de internetgeneratie, geboren na 1973, een generatie die voor een deel de opkomst van de computer nog op school heeft beleefd. De middelste groep is de televisiegeneratie, geboren na 1952. Deze generatie is opgegroeid tijdens de opkomst van televisie. De derde groep bestaat uit mensen die voor die tijd geboren zijn en met radio zijn opgegroeid .

De internetgeneratie wordt het minst vaak door meerdere aanbieders bereikt, de televisiegeneratie heeft een tussenpositie en de radiogeneratie is de best geïnformeerde groep (zie tabel 6). Opvallend is dat de posities van de aanbieders tussen de groepen verschillen. Voor de radio-generatie is de Publieke Omroep, die meer dan drie van de vier mensen dagelijks informeert, de dominante nieuwsbron en ANP de kleinste aanbieder. De televisiegeneratie wordt evenwichtig door de Publieke Omroep en ANP bereikt en de internetgeneratie wordt vooral door ANP bereikt, met afstand gevolgd door de Publieke Omroep. Bij zowel de televisie- als de internetgeneratie is het gebruik van de PCM-dagbladen en -internetpagina’s het kleinst.

Tabel 6: nieuwsmediagebruik en bereik van de grootste aanbieders per leeftijdsgroep (in procenten)
Internetgeneratie
(13-29 jaar)
Televisiegeneratie
(30-50 jaar)
Radiogeneratie
(51+ jaar)
Aandeel ‘geen aanbieder’ 7,0 4,6 2,9
Aandeel één aanbieder 30,9 26,5 19,7
Aandeel meerdere aanbieders 62,1 68,9 77,4
Publieke Omroep 40,2 49,4 76,8
ANP 45,3 49,4 20,5
RTL Nederland 25,8 24,0 35,5
Telegraaf Media Groep 33,7 22,0 31,3
Koninlijke Wegener 20,5 17,8 25,3
PCM Uitgevers 13,5 14,5 25,0

Naast mediasocialisatie zijn er andere verklaringen. Het verschillende mediagebruik door de verschillende generaties kan ook worden toegeschreven aan de tot een bepaalde leeftijdscategorie en leeftijdsfase behorende belangstelling. Het is aannemelijk dat jongeren zodra ze ouder worden hun weg vinden naar de Publieke Omroep en de kranten. Tegelijkertijd ontwikkelen zij wel degelijk een nieuw en eigen informatiegedrag dat zal doorwerken in de toekomst.

Prognoses voor de toekomst zijn speculatief, te meer omdat we niet weten hoe het aanbod verandert, wat er bij komt, wat er verdwijnt. Het verschil tussen de internetgeneratie en de radiogeneratie is absoluut en relatief het grootst bij de Publieke Omroep, groter zelfs dan bij krantenbedrijven als PCM of Wegener. Als we van de huidige situatie uitgaan en veronderstellen dat er niet veel ingrijpend verandert, dan is te verwachten dat de Publieke Omroep sterker nog dan de krantenbedrijven in de toekomst marktaandeel op de nieuwsmarkt gaat verliezen als de oude generatie verdwijnt en de komende generatie het nieuwsmediagebruik bepaalt.

 

Gewenst toekomstig onderzoek

Op de crossmediale Nederlandse nieuwsmarkt zijn eind 2003 vele aanbieders actief. Binnen twee dagen komt bijna ieder Nederlander in contact met een nieuwsaanbod, meestal zelfs afkomstig van verschillende mediaplatformen of aanbieders. De Publieke Omroep neemt een sterke, maar niet overheersende positie in. Maar er zijn indicaties dat er ingrijpende veranderingen plaats zullen vinden. Zo lijkt de Publieke Omroep op de nieuwsmarkt aandeel te verliezen ten gunste van onder andere ANP via commerciële zenders en internetsites. Niet alleen voor kranten, ook voor de Publieke Omroep geldt dat het in het belang van hun voortbestaan noodzakelijk is om kijkers, lezers en luisteraars van nieuws vroegtijdig multimediaal te bereiken, als men niet het risico wil lopen de internetgeneratie als publieksgroep definitief te verliezen.

Als er al gevaren voor de toekomstige informatievoorziening zijn, dan komt dat niet voort uit het feit dat mensen geen nieuws gebruiken of dat de nieuwsmarkt hoog geconcentreerd zal zijn. Gevaren zitten vooral in een te verwachten minder gebruik van achtergrondinformatie en een versterkt gebruik van nieuws dat kort, snel en daardoor oppervlakkig, informeert via radio, internet, gratis bladen, teletekst, e-mail of sms.

Daarmee wordt onderzoek naar de content en de journalistieke productie noodzakelijk: onderzoek naar de pluriformiteit van de inhoud en naar de journalistiek onafhankelijke en betrouwbare bewerking van het hele nieuwsaanbod.

De in dit stuk gepresenteerde secundaire gegevens leveren slechts een eerste, beperkte indruk van de landelijke nieuwsmarkt op vanwege enkele belangrijke beperkingen: de steekproef was klein en de gegevens voor radio- en internetgebruik zijn eigenlijk niet goed met het gebruik van televisie en dagbladen vergelijkbaar. Ook is alleen bekend dat een respondent gisteren of eergisteren ten minste vijf minuten bereikt werd, maar is niet bekend hoe vaak hij of zij van een nieuwsmedium gebruik maakte en hoeveel tijd er in totaal aan werd besteed. Daarom bestaat naast de monitoring van nieuwsinhoud en -productie behoefte aan een doelgericht onderzoek naar het nieuwsmediagebruik.

Deel deze pagina